Bekijk hier het Energievademecum per hoofdstuk. Soms duurt het even voordat een hoofdstuk opgevraagd is.

Energievademecum

energiebewust ontwerpen van nieuwbouw­woningen


2 Energiebeleid

'Door het mondiaal stijgende gebruik van (fossiele) energie neemt de uitstoot van CO2 sterk toe, met klimaatverandering als gevolg. Als niet fors wordt ingegrepen stijgt op wereldschaal de uitstoot van energiegerelateerde CO2 de komende 25 jaar met ongeveer 60%.' Dit is een citaat uit het Energierapport 2008 [1]. Het rapport spreekt van de noodzaak tot een trendbreuk en de transitie (= overgang) naar een duurzame energiehuishouding. Het Energierapport 2011, het Energieakkoord voor duurzame groei (2013), het Energierapport - Transitie naar duurzaam (2016) en de Energieagenda (2016) borduren hierop voort.

Niet alleen de rijksoverheid is doordrongen van de ernst van de situatie, ook allerlei markpartijen in de bouw hebben zich uitgesproken voor vergaande maatregelen. Zo is in april 2008 het 'Lente-akkoord' [32] ondertekend door het toenmalige ministerie van VROM, Neprom, NVB en Bouwend Nederland. In dit akkoord is o.a. afgesproken dat alle partijen streven naar energieneutrale nieuwbouw in 2020 en zich daar ook voor willen inzetten. Het akkoord is in juni 2012 herijkt.

Ook voor de bestaande bouw zijn, in 2007, plannen opgesteld door diverse marktpartijen. Zij hebben in de nota 'Meer met minder' [33] een aanpak gepresenteerd om tot een hogere energiebesparing te komen dan met het beleid volgens de rijksoverheid het geval zou zijn. In 2008 is hierover een convenant gesloten dat in 2012 geactualiseerd is. Ook is in 2012 het (geactualiseerde) Convenant Energiebesparing Huursector [34] gesloten. Het Energieakkoord (paragraaf 2.1.2) heeft geleid tot onder andere een nationaal energiebesparingsfonds ter stimulering van energiebesparende maatregelen in de bestaande bouw (koopsector) en een stimuleringsregeling voor de energieprestatie in de huursector.

In paragraaf 2.1 is een korte schets opgenomen van energiebeleid, zowel internationaal als nationaal. In paragraaf 2.2 komt regelgeving aan de orde en in paragraaf 2.3 beleidsinstrumenten waaronder de EPG (NEN 7120).



2.1 Grondslagen



2.1.1 Kyoto-Protocol verlengd, Klimaatakkoord Parijs

Het broeikaseffect kan het beste worden aangepakt als landen samenwerken om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale klimaatafspraken, zoals het VN-klimaatverdrag en het Kyoto-Protocol. Het Nederlandse klimaatbeleid is gebaseerd op deze afspraken.

Kyoto-Protocol

Het Kyoto-Protocol (verdrag) werd in 1997 opgesteld. Industrielanden verbonden zich hierin om de uitstoot van broeikasgassen in 2012 met (over de landen) gemiddeld 5% te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. Per land golden uiteenlopende reductiepercentages, Nederland moest een 6% lagere uitstoot hebben. In Kyoto is ook besloten dat industrielanden een deel van hun reductieverplichting via maatregelen in het buitenland mogen realiseren. Het protocol is op 16 februari 2005 in werking getreden.

In 2012 is het Kyoto-protocol verlengd tot 2020 [29]. De verplichting voor de reductie van gemiddeld 5% broeikasgassen is nu verzwaard tot 18% in 2020 ten opzichte van 1990. Nieuw is ook dat er aandacht komt voor de gevolgen van de klimaatverandering (zoals overstromingen) en hoe hierop kan worden ingespeeld. Helaas doen minder landen mee aan het verdrag dan voorheen.

Klimaatakkoord Parijs

Het Klimaatakkoord van Parijs (december 2015) is het vervolg op het Kyoto-protocol en zal per 2020 ingaan. Het akkoord is in de loop van 2016 door een groot aantal landen geratificeerd waaronder India, de Verenigde Staten en China. Het akkoord is voor alle deelnemende landen juridisch bindend.

In het Klimaatakkoord is afgesproken er alles aan te doen om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging tot ruim beneden de 2°C te beperken ten opzichte van het niveau van voor de industriële revolutie. Gestreefd wordt naar niet meer dan 1,5°C [12]. Alle partijen moeten hun best doen om zo snel mogelijk de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen.

Het Klimaatakkoord betekent in de praktijk dat een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie nodig is. Door de EU wordt het akkoord vertaald naar concrete doelstellingen voor 2030 en 2050. Ook deze doelen zijn voor Nederland juridisch bindend.



2.1.2 Diverse visie/beleidsrapporten en het Energieakkoord

NMP4

Het NMP4 [25], het Vierde Nationaal Milieubeleidsplan, verscheen in 2001 en vormt nog steeds de algemene basis van het nationale milieubeleid anno 2017, samen met het NMP3. In 2006 bracht het Kabinet de 'Toekomstagenda Milieu: schoon, slim, sterk' [38] uit. Deze nota is een nadere invulling van het beleid om de doelen uit het NMP4 daadwerkelijk te gaan halen. Zo werd voor de bestaande bouw het plan voor de energielabeling aangekondigd die per 1 januari 2008 is ingevoerd. Voor nieuwbouw werd duidelijkheid toegezegd over de verzwaring van de EPC-eisen tot 2016.

Energierapport 2011

Als vervolg op het Energierapport 2008 [1] verscheen drie jaar later het Energierapport 2011 [14]. Energiebesparing en duurzame ('hernieuwbare') energie blijven de hoekstenen van het energiebeleid. Beide verkleinen de afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen en beide zijn nodig om in 2050 een CO2-arme economie te hebben. Wat duurzame energie betreft, wordt veel verwacht van windenergie en bio-energie (afkomstig van biomassa [35] en [36]). Nieuwe kernenergiecentrales blijven echter ook mogelijk [37].

In navolging van het Europese beleid (EPBD, zie paragraaf 2.1.1) is het beleid van ons land gericht op 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023. Nieuwbouwwoningen, evenals alle andere nieuwe gebouwen, moeten vanaf 31 december 2020 'bijna energieneutraal' zijn; nieuwe overheidsgebouwen moeten zelfs per 31 december 2018 'bijna energieneutraal' zijn. Het 'Nationaal Plan bijna-energieneutrale gebouwen' [43] beschrijft hoe dit te bereiken is, zie paragraaf 2.2.1.

Energieakkoord

In 2013 is het 'Energieakkoord voor duurzame groei' [39] gesloten als invulling van het kabinetsbeleid naar aanleiding van de beleidsbrief 'Groene Groei: voor een sterke, duurzame economie' [40]. Een belangrijk verschil met veel overheidsbeleidsrapporten is dat het bij het Energieakkoord gaat om een akkoord tussen veel partijen met een grote diversiteit zoals de rijksoverheid, Bouwend Nederland, werkgeversorganisaties, vakbonden, woningcorporaties en natuur-en milieuorganisaties. Belangrijke doelen zijn energiebesparing, toename van het aandeel duurzame energie en extra werkgelegenheid. Het akkoord is vooral gericht op de periode tot 2023, maar er worden ook enkele doelen gesteld voor de lange termijn.

Het akkoord bestaat uit tien pijlers waarbij veel aandacht is voor de gebouwde omgeving. Uitgangspunt is dat burgers en bedrijfsleven zelf belang hebben bij en verantwoordelijkheid nemen voor energiebesparing en toepassing duurzame energie. Een groot nationaal besparingsfonds stimuleert o.a. eigenaar-bewoners tot het nemen van maatregelen. Ook is er extra geld voor isolatie van huurwoningen. Voor nieuwbouwwoningen volgt het akkoord het overheidsbeleid volgens het Energierapport 2011 [14]: deze moeten per 31 december 2020 'bijna energieneutraal' zijn.

Voor meer en de meest actuele informatie over de stand van zaken rond het Energieakkoord zie www.energieakkoordser.nl.

Energierapport 'Transitie naar duurzaam'

Begin 2016 verscheen het Energierapport 'Transitie naar duurzaam' [2]. Het richt zich op de periode 2023 - 2050, dus aansluitend op de periode waar het Energieakkoord het zwaartepunt legt. Het beleid is gericht op een energievoorziening die in 2050 CO2-arm is, dit in navolging van het Europese beleid. Het kabinet kiest voor uitsluitend sturing op CO2-reductie. Energiebesparing en de inzet van hernieuwbare energie volgen hieruit en krijgen geen eigen doelstellingen voor de langere termijn. In het rapport wordt per toepassing ingegaan op de toekomstige vraag naar en aanbod van (duurzame) energie. De inzet van vrijwel alle nu bekende CO2-arme energiebronnen en technologieën is noodzakelijk, naast natuurlijk een aanzienlijke energiebesparing. Om zoveel mogelijk gebruik te kunnen maken van technologische vooruitgang en lokale oplossingen, heeft het kabinet alleen het einddoel benoemd, maar schrijft het niet voor hoe dit exact moet worden bereikt.

Energieagenda 'Naar een CO2-arme energievoorziening'

Eind 2016 verscheen de Energieagenda 'Naar een CO2-arme energievoorziening' [12]. De Energieagenda van het kabinet geeft een verdere invulling van de visie zoals beschreven in het Energierapport 'Transitie naar duurzaam'. Niet alleen het einddoel wordt beschreven, ook de route daarnaartoe. De Energieagenda wordt samen met maatschappelijke partijen verder uitgewerkt. Opgemerkt wordt dat het van groot belang is dat de transitie, ook bij wisseling van politieke kleur van kabinetten, wordt voortgezet. Het mondiale einddoel (temperatuurstijging ruim onder 2°C) ligt al juridisch vast dankzij het Klimaatakkoord van Parijs, met voor de EU-landen tussendoelen via de EU in de vorm van reductie CO2-emissies. De kans bestaat dat na mondiaal overleg, de uitstoot van CO2 in de energievoorziening voor de EU in 2050 tot nul moet dalen. Dit omdat de mogelijkheden voor reductie van broeikasgassen buiten de energievoorziening, zoals door landbouw, beperkter zijn.

In navolging van het Energierapport worden in de Energieagenda per toepassing ingegaan op de toekomstige vraag naar en aanbod van (duurzame) energie. Zo wordt voor de verwarming in de gebouwde omgeving ingezet op een vergaande energiebesparing en inzet van CO2-arm opgewekte elektriciteit, warmte en hernieuwbaar gas. Per locatie moet worden bekeken wat de beste oplossing is. Voor gemeenten zal hier een belangrijke taak komen te liggen. Opvallend is de maatregel om in nieuwbouwwijken in beginsel geen gasnet meer aan te leggen; de Gaswet wordt hierop aangepast.

Ook worden enkele mogelijk interessante innovaties genoemd die meer aandacht vragen zoals duurzaam geproduceerde waterstof: 'power-to-gas' - een overschot aan wind- en zonne-energie kan dienen om waterstof te produceren. Dit gas zou een aanvulling kunnen zijn op ander hernieuwbaar gas, ter vervanging van aardgas. Vooruitlopend op dergelijke ontwikkelingen moeten per 1 januari 2017 alle nieuwe gasapparaten zowel op hoog- (zoals het huidige aardgas) als op laagcalorisch gas kunnen functioneren.

In aanvulling op de Energieagenda: Partijen uit o.a. de gassector pleiten er voor om de bestaande gasinfrastructuur in ieder geval te behouden om toekomstige ontwikkelingen op gasgebied mogelijk te maken [23]. In een klimaatneutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving - update 2016 [45] is een beeld geschetst welke rol hernieuwbaar gas in een klimaatneutrale gebouwde omgeving kan spelen.



2.2 Regelgeving



2.2.1 Bouwbesluit

In het Bouwbesluit [26] staan eisen voor energiezuinigheid.

De belangrijkste eis voor nieuwbouwwoningen is die van de EPC (EnergiePrestatieCoëfficiënt):
Per 1-1-2015 mag de EPC maximaal 0,4 bedragen, zie [41] en [42]; zie voor het berekenen van de EPC paragraaf 2.3.1 en 2.3.2.

De EPC-eis bij gebruik van 'gebiedsgebonden maatregelen' (zoals bijvoorbeeld stadsverwarming) volgens de EMG (paragraaf 2.3.2) bedraagt ≤ 0,53 als het effect van de 'gebiedsgebonden maatregelen' niet wordt meegeteld, zie paragraaf 2.3.2.

Het Bouwbesluit geeft naast de grenswaarde voor de EPC nog vier 'vangnet' eisen:

  • Warmteweerstand van 'dichte' constructies (vanaf 1-1-2015):
    • Beganegrondvloer: Rc ≥ 3,5 m²·K/W;
    • Gevels: Rc ≥ 4,5 m²·K/W;
    • Dak: Rc ≥ 6,0 m²·K/W;
  • Warmtedoorgangscoëfficiënt van ramen en deuren (beide inclusief kozijnen): gemiddelde U-waarde ≤ 1,65 W/(m²·K) (gemiddeld naar rato van het oppervlak); voor een raam of deur (inclusief kozijn) afzonderlijk geldt een U-waarde ≤ 2,2 W/(m²·K). De eis van gemiddeld 1,65 betekent dat de keuze voor kozijnen, deuren en glassoort veel aandacht vraagt (zie paragraaf 5.1.5). Diverse tot voor kort gebruikelijke materialen, profielen en glassoorten zijn namelijk niet meer mogelijk;
  • Warmtedoorgangscoëfficiënt voor constructies die met ramen en deuren gelijk te stellen zijn: U-waarde ≤ 1,65 W/(m²·K);
  • Luchtdoorlatendheid, qv10-waarde ≤ 0,2 m³/s (oftewel ≤ 200 dm³/s); deze eis geldt voor het totaal aan verblijfsgebieden, toilet- en badruimten; volgens de meetmethodiek in NEN 2686 gaat het daarbij in de praktijk om de hele woning.

Een klein deel van de constructies hoeft niet te voldoen aan de eisen voor warmte-isolatie en is bedoeld om brievenbus, ventilatieroosters e.d. mogelijk te maken. Dat deel mag maximaal de omvang hebben van 2% van de gebruiksoppervlakte van de woning of het woongebouw (art. 5.3.8 Bouwbesluit). Verder is men vrij op welke wijze men aan de EPC-eis voldoet (zie paragraaf 2.3.1).

Europese Richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD)

De Nederlandse wet- en regelgeving over de energieprestatie van o.a. woningen is gebaseerd op de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze EU-richtlijn, in het Nederlands: de Richtlijn energieprestatie van gebouwen, is in 2003 gepubliceerd met als doel een sterke daling van het energieverbruik te bereiken. De richtlijn is zowel gericht op nieuwbouw als op de bestaande bouw. In 2010 is de richtlijn herzien.

De EPBD heeft geleid tot o.a. de nieuwe EPC-norm (NEN 7120 - de EPG [30] en NEN 8088 [31]), de energielabeling, de periodieke keuring van bepaalde installaties en de eis dat nieuwbouwwoningen vanaf 1 januari 2021 'bijna energieneutraal' moeten zijn.

Het 'Nationaal Plan bijna-energieneutrale gebouwen' [43] beschrijft het Nederlandse beleid om tot bijna-energieneutrale gebouwen (BENG) te komen en geeft de Nederlandse definitie van bijna-energieneutraal. Een gebouw is 'bijna-energieneutraal' als de EPC van dat gebouw 'bijna nul' is. Het plan geldt zowel voor woning- als voor utiliteitsbouw. Het beleid is gericht op:

  • Het stimuleren van (bijna-) energieneutrale woningen en overige gebouwen door o.a. kennisoverdracht via bijv. de Database Energiezuinig gebouwd;
  • Ondersteuning van experimenten;
  • Verdere aanscherping EPC-eisen.

In juni 2014 heeft de Minister van Wonen en Rijksdienst aangegeven dat voor de definitie van 'bijna-energieneutraal' niet verder gegaan zal worden met de EPC, maar dat de eis wordt vastgelegd in een maximum energieverbruik per m² vloeroppervlak per jaar. In juli 2015 [46] heeft de minister de uitwerking bekend gemaakt. Er worden drie eisen (BENG-indicatoren) gesteld:

  • Een maximale energiebehoefte van de woning van 25 kWh primair/m² vloer per jaar;
  • Een maximaal primaire energieverbruik van 25 kWh/m² vloer per jaar;
  • Een minimaal percentage hernieuwbare energie (50 %).

Het achterliggende idee van deze eisen is om energiebesparing voorop te stellen en hernieuwbare energie aanvullend te laten zijn om het primair energieverbruik verder terug te dringen. Volgens de minister komen deze eisen ongeveer overeen met een EPC van 0,2.

Er is nog geen kant-en-klare bepalingsmethode voor BENG, wel is een BENG-rekenblad beschikbaar waarbij de resultaten van een EPC-berekening kunnen worden ingevoerd. Zie voor het rekenblad en verdere informatie over BENG www.rvo.nl/beng. In de 'database' Energiezuinig Gebouwd zijn onder andere energiezuinige woningprojecten inclusief BENG-indicatoren te vinden.

In Onderzoek handvatten voor zeer energiezuinige nieuwbouw - BENG [48] is onderzocht of 12 zeer energiezuinige laagbouw projecten voldoen aan de BENG-eisen. Dat bleek lang niet altijd zo te zijn, ondanks de zeer lage EPC's. In het rapport is aangegeven hoe wèl aan de eisen te voldoen is. Het is voorzien van veel informatieve tabellen en grafieken over onder andere de kenmerken van de woningen, BENG-scores, hoe deze scores te beïnvloeden zijn, comfort en meerkosten.



2.2.2 Energielabel

Als gevolg van de EPBD is per 1-1-2015 voor nieuwbouwwoningen bij oplevering een definitief energielabel verplicht, zie www.rvo.nl. Kijk bij deze site ook onder 'overige zakelijke doelgroepen'. Een EPC-berekening volstaat niet.



2.3 Beleidsinstrumenten

De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) is een maat voor de energie-efficiëntie van woningen en andere gebouwen. Aan de EPC zijn in het Bouwbesluit eisen gesteld (zie paragraaf 2.2.1). De EPC wordt berekend volgens NEN 7120 [31] (zie paragraaf 2.3.1). Met de energie-inhoud van materialen en installaties wordt in de EPC geen rekening gehouden, zie daarvoor www.milieudatabase.nl.

Naast de EPG kan ook de EMG (Energieprestatienorm voor Maatregelen op Gebiedsniveau, de NVN 7125, zie paragraaf 2.3.2) van belang zijn. Met deze norm is het mogelijk om energiebesparende maatregelen op gebiedsniveau in de energieprestatie van woningen te verwerken waardoor de EPC verbeterd wordt. Het gaat hierbij om allerlei vormen van collectieve voorzieningen zoals stadsverwarming, stadskoeling en collectieve warmte/koudeopslag.

Andere beleidsinstrumenten:

  • Energielabel, zie paragraaf 2.2.2;
  • Regulerende energiebelasting: stimuleert energiegebruikers om bewust met energie om te gaan;
  • Regeling groenprojecten: een woningproject mèt groenverklaring, kan in aanmerking komen voor een lagere rente van (een deel van) de hypotheek;
  • Tijdelijke regeling hypothecair krediet: hiermee kan een koper een hogere hypotheek krijgen voor een energiezuinige woning.


2.3.1 NEN 7120 - Energieprestatie van Gebouwen (EPG)

De NEN 7120 [30] is de vervanger van NEN 5128, bekend als de EPN. Met NEN 7120, de EPG genoemd, wordt eveneens de energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van een woning (of woongebouw) bepaald. De oude norm was aan vervanging toe vooral omdat deze geen juist beeld gaf over de energieprestatie van zeer energiezuinige woningen; de nieuwe norm geeft dat wel. NEN 7120 geeft een realistischer oordeel over het effect van o.a.:

  • Warmteterugwinning uit ventilatielucht: heeft in de nieuwe norm minder effect;
  • Warmte-isolatie: extra isoleren heeft meer effect;
  • Warmtapwatergebruik: in grote woningen is het warmtapwaterverbruik afgenomen.

Via www.nen.nl is de 'Leeswijzer NEN 7120'; te downloaden. De Leeswijzer geeft achtergrondinformatie en tips voor het gebruik van de norm. Meer informatie staat op www.rvo.nl [28].

Voor het verkrijgen van een bouwvergunning voor een woning, moet de EPC aantoonbaar voldoen aan de grenswaarde genoemd in het Bouwbesluit. Per 1 januari 2015 bedraagt de EPC maximaal 0,4. In aansluiting op Europees beleid (de Europese Richtlijn 2010/31/EU) moet per 1 januari 2021 een nieuwbouwwoning 'bijna-energieneutraal' zijn.

In afbeelding 2.1 is het effect van de daling van de EPC-eis op het primaire energieverbruik te zien van een tussenwoning sinds de invoering van de EPC.

Afbeelding

Afb. 2.1 De afbeelding geeft het primaire energieverbruik aan voor verwarmen, warmtapwater, koken en het huishoudelijke elektriciteitsverbruik (na aftrek van opbrengst PV) van de referentie tussenwoning (zie bijlage 4) met een EPC aflopend van 1,4 naar - 0,2. Het verbruik voor ruimteverwarming en warmtapwater is berekend met NEN 5128:2004 voor de EPC's van 1,4 t/m 0,8 en met NEN 7120:2011 voor de EPC van 0,6 t/m - 0,2. Het verbruik voor elektriciteit na aftrek van hulpenergie voor de installaties) en koken is het gemiddelde verbruik per Nederlands huishouden (dus niet specifiek voor nieuwbouwwoningen) in respectievelijk 1996, 1998, 2000, 2006, 2011 en aanname voor 2015 op basis van 2012 (bron: Energie Trends 2014 [19]). Voor de EPC's 0,2 t/m – 0,2 is gerekend met een kleine besparing op het huishoudelijk elektriciteitsverbruik. De EPC's van 0,2 t/m – 0,2 zijn ter illustratie toegevoegd en zijn nog niet wettelijk vereist.

Afbeelding

Afb. 2.2 De staafdiagrammen geven de CO2-emissie behorend bij het energieverbruik uit afbeelding 2.1

Lage EPC en werkelijk energieverbruik

Een lage EPC is geen garantie voor een laag energieverbruik in de praktijk. Vooral een zorgvuldige uitvoering van de voorgestelde maatregelen en een goede controle daarop zijn belangrijke randvoorwaarden daarbij. Daarnaast is een goede voorlichting naar bewoners belangrijk.

In het Lente-akkoord [32] zijn daarom in 2008 tussen diverse belangrijke partijen in de bouw afspraken gemaakt over o.a.:

  • Een betere aansluiting van de toen geldende energieprestatienormen op het werkelijke energieverbruik;
  • Afstemming van deze norm op zeer energiezuinige woningen;
  • Meer aandacht voor kwaliteit van het binnenmilieu;
  • Het opstellen van gebruiks- en onderhoudsinstructies voor bewoners over o.a. installaties.

Mede als gevolg van dit Lente-akkoord zijn de nieuwe EPG-norm en de 'KopStaart aanpak' ([44], zie ook paragraaf 3.1) ontwikkeld.

Hulpmiddelen voor controle EPC

Via www.rvo.nl zijn enkele hulpmiddelen te downloaden voor de controle van ingediende EPC-berekeningen:

Afb. 2.3 Overzicht met controlepunten voor de ingediende EPC-berekeningen; de checklist is bedoeld voor op de bouwplaats. (Bron: RVO)

Bouwkundige aspecten
Wat? Hoe? Wanneer?
Rc-waarde dichte delen Meet de dikte van isolatiemateriaal en lees lambda af van verpakking. Bepaal Rc. Tussentijdse controle
U-waarde beglazing Controleerl U-waarde. Kijk in spouw of op de stickers voor type aanduiding. Tussentijdse controle
U-waarde (voor)deuren Controleer U-waarde a.d.h.v dikte, stickers en/of leveringsbon
U-waarde kozijnen Controleer of een koudebrugonderbreking aanwezig is Tussentijdse controle
Detaillering en afwerking Kijk of er netjes en volgens de tekeningen gewerkt wordt Tussentijdse controle
Infiltratie Controleer kwaliteit van de rubbers met een kartonnetje Tussentijdse controle
Infiltratie Controleer naaddichting en kierdichting (goede knevels en aansluiting profielen op kozijnen en doorlopende profielen) Tussentijdse controle
Zonwering Controleer of buitenzonwering daadwerkelijk is aangebracht Eindcontrole
Thermische massa Controleer of de thermische massa (zie paragraaf 5.3) overeenkomt met de EPC-berekening Tussentijdse controle
Verwarmingsinstallatie
Wat? Hoe? Wanneer?
Europese energielabels Controleer of productlabels en pakketlabel overeenkomen met EPC-berekening Eindcontrole
Type HR-ketel Controleer of productlabels en pakketlabel overeenkomen met EPC-berekening Eindcontrole
Type HR-ketel Controleer of het type toestel overeenkomt met de kwaliteitsverklaring Eindcontrole
Type warmtepomp Controleer of het type toestel overeenkomt met de kwaliteitsverklaring Eindcontrole
Warmtelevering Ga na of (voorbereidingen voor) afleverset aanwezig is (meestal in de meterkast) Tussentijdse controle
LTV Controleer of vloer- en/of wandverwarming aangebracht is Tussentijdse controle
Ventilatiesysteem
Wat? Hoe? Wanneer?
Zelfregelende of vraaggestuurde roosters Controleer of type overeenkomt met de EPC-berekening / gelijkwaardigheidsverklaring Tussentijdse controle
Vraaggestuurde roosters Controleer of regelunits / sensoren aanwezig zijn Eindcontrole
Ventilatiekanalen Controleer of in te storten of anderszins weg te werken kanalen intact zijn Tussentijdse controle
Gebalanceerde ventilatie Controleer of type ventilatie-unit overeenkomt met de EPC-berekening; let ook op aanwezigheid bypass (100%?) Eindcontrole
Gebalanceerde ventilatie Controleer of toe- en afvoerventielen geplaatst zijn Tussentijdse controle
Spui / zomernachtkoeling Controleer of de benodigde voorzieningen aanwezig zijn Tussentijdse controle
Warmtapwater
Wat? Hoe? Wanneer?
CW-klasse HR-ketel Controleer CW-klasse aan de hand van Gaskeurlabel op het toestel Eindcontrole
Type combiketel/combiwarmtepomp Als gebruik is gemaakt van een kwaliteitsverklaring: ga na of het juiste toestel is geplaatst Eindcontrole
Douche-WTW Ga na of de douche-WTW is geplaatst en controleer of type overeenkomt met invoer EPC-berekening en kwaliteitsverklaring Tussentijdse controle
Leidinglengte Controleer of feitelijke leidinglengten kloppen met EPC-berekening Tussentijdse controle
Zonneboiler
Wat? Hoe? Wanneer?
Collectoroppervlak Controleer globaal of collector de juiste grootte heeft Eindcontrole
Collectororiëntatie Controleer of de collector op de juiste oriëntatie geplaatst is Eindcontrole
Belemmeringen Controleer of er geen schaduw valt op de collector Eindcontrole
Zonnecellen (PV)
Wat? Hoe? Wanneer?
Oppervlak Controleer globaal of panelen de juiste grootte hebben Eindcontrole
Type PV-cellen Controleer of juiste type is toegepast. Mono- en multikristallijn (> 150 Wp/m²) hebben een blauw/gevlekt uiterlijk en zijn min of meer vierkant. Amorf-PV (60 -120 Wp/m², zie paragraaf 10.2) heeft een bruin/egaal uiterlijk. Eindcontrole
Mate van ventilatie Controleer de wijze van opstelling (wel/ matig/ niet geventileerd) met EPC-berekening Eindcontrole
Belemmeringen Controleer of er geen schaduw valt op de PV-cellen, ook niet van een (rookgas)afvoer Eindcontrole
Software

Er zijn diverse rekenprogramma's verkrijgbaar waarmee volgens NEN 7120 de EPC berekend kan worden. Op www.rvo.nl, subsite Energieprestatie (EPC) staat een overzicht van de verschillende aanbieders van programma's. In het Bouwbesluit is de eis opgenomen dat software geattesteerd moet zijn volgens BRL 9501.

Energieprestatiecoëfficiënt (EPC)

De EPC wordt berekend door het berekende primaire energieverbruik van de woning te delen door een normverbruik dat afhankelijk is van het gebruiksoppervlak en het schiloppervlak van de woning. Het primaire energieverbruik is het totaal van de energieverbruiken voor verwarming, warmtapwater, ventilator(en), pompjes, zomercomfort, koeling en verlichting (afbeelding 2.4). De geproduceerde elektriciteit bij toepassing van bijvoorbeeld warmtekracht of PV-panelen mag hierop in mindering worden gebracht. Daardoor is een negatieve EPC-waarde mogelijk.

Het normverbruik wordt zodanig bepaald dat woningen met gelijke technische voorzieningen en oriëntatie een (bij benadering) gelijke EPC hebben onafhankelijk van woningtype en grootte. Een grote vrijstaande woning heeft dus bij benadering eenzelfde EPC als een kleine rijtjeswoning, terwijl het primaire energieverbruik van de vrijstaande woning natuurlijk aanzienlijk hoger is; dit uitgaande van gelijke voorzieningen en ligging van beide woningen.

Elektriciteitsverbruik
Bij het bepalen van de EPC wordt (zoals hiervoor aangegeven) alleen het elektriciteitsverbruik voor de installaties en verlichting meegenomen. Wel is in bijlage M van de EPG-norm informatie opgenomen over:

  • Het elektriciteitsverbruik voor huishoudelijke apparatuur;
  • Enkele maatregelen om dit elektriciteitsverbruik te verminderen zoals het gebruik van hot-fill apparatuur (paragraaf 9.1.4), van een wasdroger op gas (paragraaf 10.1.2) en het wel of niet elektrisch koken (paragraaf 10.1.2); de paragraaf -nummers verwijzen naar dit Vademecum.
Forfaitaire waarden

In de EPG zijn voor een groot aantal voorzieningen en constructies vaste rekenwaarden (forfaitaire waarden) opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn het rendement van verwarmingsinstallaties en de U-waarden van de diverse kozijntypen (hout, kunststof en metaal). Met een (erkende) kwaliteitsverklaring voor een voorziening of constructie mogen ook gelijke of betere waarden gebruikt worden dan de standaard waarden. Dit berust op het principe van het gelijkwaardigheidsbeginsel uit het Bouwbesluit. Gelijkwaardigheid betekent in dit kader dat ten minste een gelijk prestatieniveau moet worden gerealiseerd.

In de 'Databank gecontroleerde kwaliteitsverklaringen' is een groot aantal goedgekeurde kwaliteits- en gelijkwaardigheidsverklaringen opgenomen. Deze kunnen door iedereen gratis worden geraadpleegd. De verklaringen zijn natuurlijk ook verkrijgbaar bij de betreffende fabrikanten of leveranciers.

Voorbeeld forfaitaire waarde
NEN 8088 [31] geeft in tabel 15 het energetisch rendement voor warmteterugwinning in ventilatiesystemen. Het forfaitaire, in de norm opgenomen, rendement voor een tegenstroomwarmtewisselaar van kunststof bedraagt 0,80. Wanneer zo'n zelfde warmtewisselaar van een bepaald merk een hoger rendement heeft volgens een (erkende) kwaliteits- of gelijkwaardigheidsverklaring, dan mag dit hogere rendement in de berekening van de EPC gebruikt worden. De verklaring moet bij de indiening van de bouwaanvraag overlegd worden.

Maandmethode

In NEN 7120 [30] / NEN 8088 [31] worden de warmte- en koelbehoefte van de woning berekend met de maandmethode. Dat wil zeggen dat de energiebalans per maand wordt gemaakt. Voor sommige maatregelen is een maandmethode niet nauwkeurig genoeg. Voor bijvoorbeeld zomernachtkoeling (zie paragraaf 6.8) zijn berekeningen op uurbasis nodig. In NEN 8088 zijn hierover gegevens opgenomen (afgeleid uit rekenprogramma's op uurbasis) waardoor in EPC-rekenprogramma's toch koeling door bypass, spuien of zomernachtventilatie meegenomen kan worden.

De EPC wordt berekend op basis van het primaire energieverbruik (in MJ). Het energiebeleid is voor een belangrijk deel gericht op CO2-emissiereductie. Als informatieve bijlage in de norm en in de bijbehorende software, is daarom een CO2-emissieberekening toegevoegd. De CO2-emissie per MJ verschilt immers per type brandstof zodat bij een zelfde EPC-waarde toch verschillende CO2-emissies kunnen voorkomen.

Temperatuuroverschrijding

Bij de EPC-berekening wordt het optreden van eventuele te hoge binnentemperaturen meegenomen: de woning wordt namelijk denkbeeldig mechanisch gekoeld als het te warm wordt. Door maatregelen te nemen die de te hoge binnentemperaturen tegengaan zoals zonwering (zie paragraaf 4.2.1 en 5.2.2), overstekken of een bypass (zie paragraaf 6.6) in een WTW-unit, is mechanische koeling (deels) te voorkomen. Dit heeft een gunstig (verlagend) effect op de EPC. Het is dus voor zowel het comfort van de toekomstige bewoners als voor een zo laag mogelijke EPC aan te bevelen om in het ontwerp en de bouwkundige detaillering zonwering etc. te integreren.

De EPG-norm kent de mogelijkheid om (indicatief) te bepalen òf de gemiddelde binnentemperatuur voor de maand juli de 24 °C overschrijdt. De EPC-rekenprogramma's hoeven deze mogelijkheid niet te hebben. De informatie over de overschrijding wordt per rekenzone gegeven. Er worden drie risico-klassen voor te hoge temperaturen onderscheiden (tussen haakjes gemiddelde overschrijding in °C):

  • Onbekend (0 - 2°C);
  • Matig tot groot risico (2 - 4°C);
  • Groot risico (4°C of hoger).

Omdat de EPG de mogelijke overschrijding van de binnentemperatuur op een eenvoudige wijze berekent, is de uitkomst indicatief. Vooral bij de klasse 'onbekend' moet een slag om de arm worden gehouden: de gemiddelde temperatuuroverschrijding in de rekenzone mag beperkt zijn, maar in één of meerdere vertrekken in die zone kan wèl degelijk sprake zijn van structureel te hoge temperaturen.

Volgens de EPG mag een woning als één rekenzone bij een EPC-berekening worden ingevoerd. De uitkomst voor de temperatuuroverschrijding uit deze berekening is nauwkeuriger te bepalen door diezelfde woning in meerdere rekenzones te splitsen, bijv. door elke bouwlaag als een aparte zone in te voeren.
Het beste beeld is echter te krijgen met een rekenmodel dat op uurbasis per vertrek de temperatuur berekent. Dat kan dus niet met de EPG, want die rekent op maandbasis.

In de 'Leeswijzer NEN 7120' zijn twee tabellen opgenomen met informatie over het glaspercentage in de gevel waarbij een laag risico op te hoge binnentemperaturen verwacht mag worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen diverse oriëntaties en het wel of niet gebruiken van zonwering. De ene tabel geldt voor een woonkamer, de andere voor een slaapkamer. Beide tabellen gelden voor woningen met een relatief zware massa, voor lichte(re) bouw zal de situatie ongunstiger zijn.

Berekenen EPC van schetsontwerp

Ook in de eerdere fasen van een ontwerp, zoals het schetsontwerp, is het aan te bevelen al berekeningen uit te voeren. Dit is mogelijk door een aantal aannames te doen, waarbij een ruimtelijk ontwerp, situering en gevelindeling de basis vormen.

Niet in EPC opgenomen

Een aantal maatregelen dat in de praktijk energie kan besparen, is niet in de EPC-berekening in te voeren. Dit is gedaan omdat deze maatregelen òf in strijd zijn met het Bouwbesluit-principe van vrije indeelbaarheid òf omdat deze maatregelen niet met zekerheid gehandhaafd blijven. Dit omdat zo'n maatregel bijvoorbeeld door bewoners gewijzigd kan worden zoals bij het vervangen van een waterbesparende (dus ook energiebesparende) douchekop door een 'normale' douchekop. Ook speelt soms het bewonersgedrag mee. Zo gaat de EPC-berekening er van uit dat de binnentemperaturen in aangrenzende woningen gelijk zijn. Het isoleren van bijvoorbeeld woningscheidende wanden heeft dus geen effect op de EPC, terwijl in werkelijkheid dit isoleren zeker energie kan besparen (als buren wél verschillend stoken).

De niet opgenomen maatregelen kunnen echter wel degelijk zinvol zijn. Vaak bieden ze bewoners de kans extra energiezuinig te handelen en soms vergroten ze bovendien het comfort.

Voorbeelden:

  • Afsluitbare keuken (zie paragraaf 4.2.2);
  • Tochtportalen (zie paragraaf 4.2.2);
  • Warmte-isolatie van verdiepings- en zoldervloer (zie paragraaf 4.2.2);
  • Warmte-isolatie van woningscheidende wanden en vloeren (zie paragraaf 5.1.4);
  • Vensterbank boven radiatoren of convectoren zodat (in het stookseizoen) de opgaande warme luchtstroom niet achter eventuele gordijnen kan terechtkomen; zie paragraaf 7.2.2 voor de juiste detaillering want de vensterbank mag ook de warmte-afgifte aan de kamer niet belemmeren;
  • Sterk voor bewonersgedrag gevoelige energiebesparende regelingen van de installatie, zoals thermostatische radiatorknoppen en een regeling waarbij de temperatuur in de slaap/werkvertrekken geheel onafhankelijk is van de woonkamer (zie paragraaf 7.7.3, 7.2.6 en 7.4.1);
  • (Warm)waterbesparende douchekop (zie paragraaf 9.1.1);
  • (Warm)waterbesparende kranen (zie paragraaf 9.1.1);
  • Warmte-isolatie leidingen voor warmtapwater (zie paragraaf 9.2), isolatie van circulatieleidingen bij een collectieve installatie is wel in de EPC berekening in te voeren;
  • Hot-fill aansluitpunten voor huishoudelijke apparatuur (zie paragraaf 9.1.4); hot-fill kan in NEN 7120 wel worden beloond bij het huishoudelijk elektriciteitsverbruik, maar dit verbruik is indicatief en telt niet mee voor de EPC;
  • Energiezuinige apparatuur, verlichting, liften, et cetera (zie paragraaf 10.1); een gaswasdroger kan wel worden ingevoerd bij het huishoudelijk verbruik, maar dit verbruik is indicatief en telt niet mee voor de EPC.
Afbeelding

Afb. 2.4 Voorbeeld van een informatieve afbeelding uit de EPC-berekening met het rekenprogramma ENORM: de afbeelding geeft de verdeling van het primaire energieverbruik over de verschillende posten



2.3.2 NVN 7125:2011: Energieprestatienorm voor Maatregelen op Gebiedsniveau (EMG)

Gebiedsgerichte voorzieningen zoals stadsverwarming, stadskoeling en (niet-perceel- of niet-gebouwgebonden) PV worden met behulp van NVN 7125 (de EMG) [47] gewaardeerd. De resultaten hiervan kunnen vervolgens in de EPC-berekening ingebracht worden.

Om te voorkomen dat in wijken met bijvoorbeeld 'stadsverwarming', energetisch matige woningen worden gebouwd, geldt een getrapte eis als voorwaarde. Er moet een dubbele toets op de EPC uitgevoerd worden: de woning inclusief het verbeterde EMG-rendement, moet voldoen aan de EPC-eis van ≤ 0,4. Daarna moet gecontroleerd worden of deze woning zónder meetelling van de energievoorziening op gebiedsniveau aan maximaal 1,33 x de EPC-eis voldoet (= afgerond ≤ 0,53).

De EMG is zodanig opgesteld dat deze in principe verder te ontwikkelen is tot een index voor de energieprestatie voor een heel gebied, vergelijkbaar met het inmiddels op de achtergrond geraakte instrument EnergiePrestatie op Locatie (EPL).

Zie voor informatie over energiezuinige gebiedsontwikkeling o.a.:

  • 'Energie in gebiedsontwikkeling' op www.rvo.nl, met info over instrumenten, technieken en concepten;
  • 'Afwegingskader warmtevoorziening voor locaties', te downloaden via www.rvo.nl. Dit hulpmiddel is een rekenmodel dat in de beginfase van een project helpt bij de discussie over energievoorziening zoals warmte- en koudevoorzieningen op een locatie. Het is bedoeld voor gemeenten, ontwikkelaars en corporaties. Het model is vooral geschikt voor locaties met minimaal zo'n 50 woningen;
Afbeelding

Afb. 2.5 Opbouw van de EPC; alle energieposten (op bovenwaarde) betreffen primaire energie per jaar

uitgave
Klimapedia, kennisbank voor bouwfysica, binnenmilieu, installaties en duurzaamheid, vijfde, herziene uitgave, 2017
ISSO, kennisinstituut voor de installatiesector, 2017

Versie 5.10

tekst & samenstelling
BOOM-SI, Milieukundig Onderzoek-& OntwerpBuro, Delft
ir. Ernest Israëls
ir. Frank Stofberg

Klankbordgroep
ir. Claudia Bouwens (NEPROM, Lente-akkoord)
ir. Leo Gommans (Faculteit Bouwkunde TU Delft, Hogeschool Zuyd, Heerlen)
ir. Kees van der Linden (Klimapedia, AaCee Bouwen en Milieu)
drs. ing. Harry Nieman (Instituut voor Bouwkwaliteit / Hogeschool Windesheim-Zwolle)
drs. ing. Michel Verkerk (ISSO)
ing. Klaas de Vries (RVO.nl)
ir. Harry van Weele (ISSO)
drs. Ruud van Wordragen (RVO.nl)

opdrachtgever
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)
De uitgave 2015 is op verzoek van de partners van het Lente-akkoord gerealiseerd, de actualisatie 2017 op verzoek van RVO.

Illustraties
ISSO en BOOM-SI, tenzij anders vermeld

Fotografie
BOOM-SI, tenzij anders vermeld

gerelateerd