Principe van een meerzone luchtstroommodel
Inzicht in de druk- en volumestroomverdeling binnen een bouwwerk kan worden verkregen met behulp van een meerzone luchtstroommodel. Hierin wordt het bouwwerk gemodelleerd tot een aantal ruimten (zones), die met elkaar en met de buitenlucht verbonden zijn via niet-lineaire luchtstroomweerstanden (zie 2.2). Deze luchtstroomweerstanden kunnen worden gevormd door roosters, kanalen, ventilatievoorzieningen, kieren, naden en dergelijke. Daarbij kunnen als randvoorwaarden temperaturen en winddrukken worden ingevoerd. Ook kan een opgelegde luchtvolumestroom worden ingevoerd (ventilator).
Eigenlijk kan een luchtstroommodel worden voorgesteld in een elektrisch analogon. Figuur 1 geeft een eenvoudig voorbeeld van een tweezone model, waarin de woning en de kruipruimte elk een aparte zone vormen
figuur 1. schematische doorsnede van een woning en het bijbehorende tweezone luchtstroommodel, weergegeven in een elektrisch analogon
Als bekend zijn:
- de drukverdeling rond het bouwwerk;
- de heersende temperaturen;
- de luchtstroomweerstanden binnen het bouwwerk en in de buitenschil;
- de eventuele opgelegde luchtvolumestromen (mechanische ventilatie).
Dan kan worden berekend:
- de drukverdeling in het bouwwerk (in de zones);
- de onbekende luchtvolumestromen (tussen de zones).
Daarnaast is het mogelijk om ook de verspreiding van verontreinigingen met een luchtstroommodel te berekenen. Daarvoor dienen additioneel bekend te zijn:
- de verontreinigingsbron (grootte en plaats van de bron);
- de achtergrondconcentratie in de buitenlucht (externe zones).
De fysische parameters
Winddruk- en temperatuureffecten
De grootte van de drukverschillen rond een bouwwerk, veroorzaakt door windinvloeden, hangt af van de windsnelheid en de windrichting. De drukverdeling rond een bouwwerk, en dus ook op de ventilatie-openingen van dit bouwwerk, wordt gegeven door:
(1) ![]()
Waarin:
ΔPw = drukverschil ten gevolge van wind [Pa]
v = de windsnelheid [m/s]
Cp = plaatsafhankelijke factor (winddrukcoëfficiënt)
ρ = dichtheid van de lucht [kg/m3]
De plaatsafhankelijke factor of winddrukcoëfficiënt cp hangt af van de oriëntatie van het vlak, het referentiepunt voor de windsnelheid v en de beschutting rond het bouwwerk. Aan de loefzijde van het bouwwerk ontstaat een overdruk, aan de overige zijden doorgaans een onderdruk.
Voor de schuine vlakken ligt de situatie gecompliceerder; vooral ter plaatse van aansluitingen aan andere vlakken is onduidelijk welke waarde voor de cp moet worden aangehouden. In dat geval moet een schatting gemaakt worden, bij voorbeeld door middel van interpolatie.
In bijlage 2 zijn enige praktijkwaarden voor de winddrukcoëfficiënt weergegeven in het vrije veld.
De windsnelheid hangt af van de terreinruwheid en de hoogte boven maaiveld waarop de windsnelheid van belang is. De windsnelheid wordt gegeven door:
(2) ![]()
Waarin:
v = plaatselijke windsnelheid [m/s]
K, a = terreincoëfficiënten (zie bijlage 3)
vm = de windsnelheid onder meteocondities (10 m hoogte boven vrije veld) [m/s]
z = hoogte ten opzichte van maaiveld [m] (BS 5925: 1991)
De mate van beschutting rond een bouwwerk kan verdisconteerd worden in de winddrukcoëfficiënt (bijlage 2) of in de windsnelheid (bijlage 1).
De grootte van de drukverschillen, veroorzaakt door thermische trek, wordt berekend uit:
(3) ![]()
Waarin:
ΔPt = thermische trek [Pa]
h = hoogteverschil (2-1) [m]
g = zwaartekrachtversnelling [m/s2]
T1 = absolute temperatuur op plaats 1 [K]
T2 = absolute temperatuur op plaats 2 [K]
ρo = dichtheid van lucht bij 273 K [kg/m3]
Wanneer er tussen de ventilatie-openingen van een ruimte of zone een hoogteverschil aanwezig is, speelt thermische trek een rol. Zo is het mogelijk dat zelfs bij openingen die in een gevel zijn gesitueerd (waarop in principe gelijke winddrukken heersen) luchttoevoer en luchtafvoer plaatsvindt, mits er een temperatuurverschil tussen de ruimte of zone en de buitenlucht aanwezig is (zie figuur 2).

figuur 2. schematische weergave van het principe van thermische trek bij ventilatie-openingen die op verschillende hoogte in hetzelfde gevelvlak zijn gelegen
Luchtstroomweerstanden
In het model wordt een bouwwerk voorgesteld door een aantal ruimten die met elkaar en met de buitenlucht verbonden zijn via niet-lineaire luchtstroomweerstanden. Deze luchtstroomweerstanden kunnen worden gevormd door bij voorbeeld roosters, kanalen, ventilatievoorzieningen, kieren en naden. Bij een drukverschil ΔP over de luchtstroomweerstand bedraagt de luchtvolumestroom Q:
(4) ![]()
Waarin:
= luchtvolumestroom [m3/s]
= capaciteit van de luchtstroomweerstanden (luchtvolumestroom bij 1Pa drukverschil) [Panm3/s]
= drukverschil [Pa]
= stromingsfactor
De stromingsfactor n varieert van 1 tot 2. Voor laminaire stroming geldt n = 1, voor turbulente stroming geldt n = 2. Wanneer n > 1 gedraagt de luchtstroomweerstand zich niet lineair.
De capaciteit van een kanaal
(5) 
Waarbij:
A = kanaaloppervlakte in doorsnede
ρ = dichtheid van lucht
λ = wandwrijvingscoëfficiënt
l = kanaallengte
D = hydraulische diameter ( 4x oppervlakte/omtrek)
ςi = weerstandsfactor van element i
i = het aantal weerstandverhogende elementen in het kanaal (bochten, roosters enz.)
Voor de bijbehorende stromingsfactor geldt n = 2.
De capaciteit van een opening
(6) ![]()
Waarbij:
A = netto doorlaat van de opening [m2]
μ = contractiecoëfficiënt
ρ = dichtheid van lucht [kg/m3]
Voor de bijbehorende stromingsfactor geldt n = 2.

figuur 3. een geluidgedempt ventilatierooster heeft doorgaans een geringere capaciteit dan een ongedempt ventilatierooster
De capaciteit van spleten, naden en kieren
(7) ![]()
Waarbij:
c = spleetweerstand per lengte eenheid [Panm3/(s.m)]
l = totale spleetlengte [m]
Voor de bijbehorende stromingsfactor geldt 1< n < 2.
Vaak wordt gehanteerd: n=1,5.
Numerieke waarden
Voor precieze numerieke waarden van de stromingsfactor, de capaciteit, de wandenwrijvingscoëfficiënt en dergelijke kunnen diverse handboeken geraadpleegd worden. Dit geldt ook voor terreincoëfficiënten en winddrukcoëfficiënten. De bijlagen geven enkele veel gebruikte waarden.
Scalaire grootheden
Verontreinigingen
Wanneer de volumestroomverdeling binnen een bouwwerk eenmaal bekend is, kan ook de verspreiding van verontreinigingen inzichtelijk gemaakt worden. Dergelijke parameters die impliciet het gevolg zijn van het fysische model noemt men wel scalaire grootheden. Deze grootheden vormen dus geen essentieel onderdeel van het fysische model.
Bij een gegeven ventilatiedebiet en een bekende verontreinigingsbron, kan de verontreinigingsconcentratie in die zone berekend worden (stationaire beschouwing). Daarbij wordt uitgegaan van een homogene concentratieverdeling binnen de zone (homogene menging).
(8) ![]()
Waarbij:
ΔCi = toename verontreinigingsconcentratie in zone i [kg/m3]
G = verontreinigingsbron [kg/s]
Qi = ventilatiedebiet (luchtvolumestroom) [m3/s]
Andere bronnen
De bronnen hoeven niet altijd verontreinigingen te introduceren in de vorm van gassen, dampen of deeltjes (zoals rook). Ook vochtbronnen introduceren een verontreiniging (waterdampconcentraties). Zelfs een warmtebron (thermisch vermogen) introduceert een verontreiniging. Bij deze bron gaat het niet om verontreinigingsconcentraties, maar om temperatuurverhoging.
Dit kan geschreven worden als:
(9) ![]()
Waarbij:
ΔTi = temperatuurtoename in zone i [K]
Ubron = warmtebron [W]
ρc = warmtecapaciteit [J/m3K]
Qi = ventilatiedebiet (luchtvolumestroom) [m3/s]
Ook nu wordt weer uitgegaan van een homogene menging binnen de zone. Bovendien wordt op deze wijze geen rekening gehouden met afkoeling aan de bouwkundige scheidingsconstructies door thermische traagheid of transmissie.
Literatuur
- Berekenen van de druk-volumestroomverdeling binnen een bouwwerk: VVmod versie 4.2; ir. R.A.P. van Herpen – Adviesburo Nieman BV, mei 2003
- Berekening van de ventilatie in vertrekken met geopende ramen; ir. J. Huuslage – TU Delft, faculteit Civiele Techniek, mei 1991
- A Guide to energy efficient ventilation; Martin W. Liddament – Air Infiltration and Ventilation Centre AIVC, GB, march 1996
Bijlage 1
| terreinomschrijving | K | a |
| open vlak gebied | 0,68 | 0,17 |
| landelijk gebied met enige huizen en bomen | 0,52 | 0,20 |
| gebied met laagbouw ( dorpen) | 0,35 | 0,25 |
| gebied met hoogbouw ( stad) | 0,21 | 0,33 |
tabel 1: Waarden voor de terreincoëfficiënten a en K.
Bijlage 2

tabel 2: Winddrukcoëfficiënten

tabel 3: Winddrukcoëfficiënten

tabel 4: Winddrukcoëfficiënten

tabel 5: Winddrukcoëfficiënten

tabel 6: Winddrukcoëfficiënten

tabel 7: Winddrukcoëfficiënten
Bijlage 3
| waarden voor de weerstandsfactor ς [-] | |
| bocht | 0,5 |
| scherpe toevoeropening | 0,5 |
| rooster voor kanaal | 1,0 |
| kap | 1,5 |
| waarden voor de wandwrijvingscoëfficiënt λ {-] | |
| glad kanaal (metaal, PVC) | 0,035 |
| ruw kanaal (gemetseld) | 0,045 |
| waarden voor coëfficiënt n [-] | |
| grote openingen | 2,0 |
| spleten, kieren en naden | 1,5 |
| poreus materiaal met aansluitnaden | 1,33 |
| poreus materiaal | 1,0 |
| waarden voor weerstandcoëfficiënt C [m3/h] | |
| grote openingen ( per cm2 opening) | 0,30 (n = 2) |
| goed sluitend raam ( per m kierlengte) | 0,43 (n =1,5) |
| redelijke sluitend raam (per m kierlengte) | 1,15 (n =1,5) |
| slecht sluitend raam (per m kierlengte) | 3,9 (n = 1,5) |
| deur met tochtstrip ( per m kierlengte) | 4,3 ( n = 1,5) |
| deur zonder tochtstrip ( per m kierlengte) | 5,3 ( n = 1,5) |
| naden tussen kozijn / gevel ( per m kierlengte) | 1,4 ( n = 1,5) |
| buitengevel ( per m2 geveloppervlak) | 0,14 ( n = 1) |
tabel 8: Enkele veel voorkomende richtwaarden voor de berekening van luchtstroomweerstanden

figuur 4: vormweerstanden

figuur 5: knikverliezen

figuur 6: weerstandsfactoren
