I520

Liften – bouwkundige aspecten

Bekijk de transponeringstabel om te zien welke wetsartikelen uit het BB overeenkomen met die uit het BBL.

Algemeen

Inleiding

Een liftinstallatie bestaat, afhankelijk van het gebouw, uit een of meer liftgroepen. Tot een groep behoren de bij elkaar geplaatste liften die het zelfde etagebereik en de zelfde stopplaatsen hebben.

Voor een moderne lift (voor personenvervoer) geldt dat deze bestaat uit: een liftschacht, een stalen constructie in de schacht voor geleiding van de cabine, deuren in de schachtwand en in de cabine, de cabine zelf, de aandrijving en de besturing. Schachten zijn meestal van beton, ze kunnen gesloten zijn, half open of de cabine beweegt langs een enkele wand, zoals bij panoramaliften. Een andere optie is dat de schacht bestaat uit een staalconstructie met daaromheen een afscheiding die eventueel transparant kan zijn. Liftschachten hebben – om veiligheidsreden – altijd een put onder het laagste niveau en een uitloop boven het hoogste niveau van het liftbereik. De cabine hangt aan kabels die over een tractieschijf bovenin de schacht lopen. Aan de andere kant van de kabels hangt een contragewicht dat langs de schachtwand beweegt en de cabine kan passeren. Naast de onderdelen en plaatsing van de lift heeft men onder andere ook te maken met belastingen en lawaaibestrijding. Meer hierover zal besproken worden in onderstaande hoofdstukken.

Bouwkundige aspecten

Afmetingen

De tijd dat een liftinstallatie gekenmerkt werd door de dakopbouw voor de liftmachine is voorbij. De liftmachinekamer kan zowel op de schacht als grenzend aan de schacht worden gesitueerd, zie figuur 1.

figuur 1 mogelijke posities voor de liftmachinekamer ten opzichte van de liftschachten

a. liftschacht
1. op de schacht
2.,3. boven naast de schacht
4.,5. onder naast de schacht
6. achter de schacht
7. onder de schacht
8. hydraulische aandrijving

Ook zijn er liftinstallaties waarbij de tractie geïntegreerd is in de schacht zelf.

De schacht blijft een bouwkundig element waaraan niet voorbij kan worden gegaan.
Belangrijke bouwkundige aspecten die ook in iedere technische omschrijving aan de orde komen zijn: (zie ook de schachtdoorsnede in figuur 2)

figuur 2 doorsnede liftschachten

Afmetingen van de schacht

Deze worden vooral bepaald door het hefvermogen/capaciteit van de lift. In de schacht bevinden zich de liftkooi, de deuren, de geleiders en het tegengewicht.
Variaties ontstaan onder andere tengevolge van het deurtype, liftsnelheid, plaats van de machinekamer en het type gebouw.
Afmetingen conform NEN 5080 “Personeelsliften in woongebouwen, -afmetingen en functionele eisen” geeft onderstaande tabel 1.

Nominale last kg 630 1000
Liftkooi
breedte (A) m 1,05 1,05
diepte (B) m 1,35 2.05
hoogte (K) m 2,10 2,10
toe te laten aantal personen 8 13
deuren
doorgangsbreedte (E) m 0,90 0,90
doorgangshoogte (F) m 2,10 2,10
Liftschacht
breedte (C) telescoopdeuren m 1,70 1,70 1,70
breedte (C) centraal openende deuren m 2,00 2,00 2,00
diepte (D) m 2,10 2,60 2,60
putdiepte (P) m 1,40 1,40 1,50
schachtkop (Q) m 3,70 3,70 3,80

tabel 1 afmetingen van kooi, kooi- en schachtdeuren en schacht

Schachtput/schachtuitloop

In de schachtput bevindt zich de nood-eindschakelweg, de remweg en de bufferslag. Daarnaast is er hoogte gereserveerd als vluchtruimte voor een monteur.

Voor personenliften in niet woongebouwen geldt tabel 2.

snelheid in

m/s

putdiepte/uitloop in mm bij een hefvermogen in kg van
630 800 1000 1250 1600
≤ 1

1,6

2,5

1400/3800

1600/4000

–

1400/3800

1600/4000

–

1400/4200

1600/4200

2200/5200

1600/4400

1600/4400

2200/5400

1600/4400

1600/4400

2200/5400

tabel 2 afmetingen van liftput en uitloop voor personenliften

De schachtuitloop vervult min of meer dezelfde functie als de schachtput.

Volgens het Bouwbesluit, art. 51 en 220, gelden de volgende minimale maten voor de uitloop en de liftput.

hefhoogte < 50 m hefhoogte > 50 m
liftputdiepte

uitloophoogte

1400 mm

3600 mm

1600 mm

3800 mm

tabel 3 afmetingen van liftput en uitloop voor personenliften

Machinekamer

Voor een machinekamer boven de liftschacht, waarin zich bevinden de liftmotor, de toeleveringskast alsmede een hijsluik geeft globaal voor de binnenmaten:

breedte = schachtbreedte
diepte = schachtdiepte +1600
hoogte = 2100

Belastingen

De bouwkundige constructie van de schacht moet volgens het Bouwbesluit bestand zijn tegen een kracht van 300 N uitgeoefend loodrecht op een willekeurig punt van binnen of buitenvlak gelijkmatig verdeeld over een oppervlak van 5 cm2:

  • zonder blijvende vervorming
  • zonder elastische vervorming van meer dan 10 mm.

De krachten die op de schachtwanden en putvloer worden uitgeoefend, geeft tabel 4.

hefvermogen (kg) 630 1.000 1600 2000
aantal personen 8 13 20 26
schachtwanden t.p.v. geleider
F1 evenwijdig aan 0,7 1,0 1,3 1,6
Fd loodrecht op 0,5 0,6 1,0 1,1
Schachtputvloer
Fv;1(tijdens vangen liftkooi) 13,3 23,0 35,0 41,0
Fv;2 ((leidergew. per m hefh.) 0,09 0,12 0,18 0,22
Fv totaal = Fv;1 + Fv;2 x h
Fk (tijdens stuiting liftkooi)
op elk van 2 stuitingen/buffers 26,6 46,0 70,0 82,0
Ft (tijdens stuiting tegengew.)
op één stuiting/buffer 40,6 – – –
op elk van 2 stuitingen/buffers – 36,0 54,0 62,0

tabel 4 Krachten op liftschachtwanden en putvloer, ontleend aan Jellema 6C (Krachten in kN)

Bij tractieliften met de liftmachinekamer boven de schacht heeft de vloer van de liftmachinekamer een dragende functie. De vloer moet de heflast en het gewicht van de kooi kunnen dragen alsmede het tegengewicht en de liftmachine. Daarnaast moet t.b.v. het aanlopen en versnellen een sprongbelasting in rekening worden gebracht. Voor hoogten groter dan 30 m moet tevens met het gewicht van de hijskabels en compensatiekabels rekening worden gehouden. Tabel 5. geeft een overzicht van de krachten waarmee bij tractieliften rekening moet worden gehouden.

Hefvermogen (kg) 630 8000 1000 1250 1600
aantal personen 8 10 13 16 20
Hefhoogte ≤ 30 m
kooizijde 19,0 24,5 30,2 36,3 46,6
tegengew.zijde 14,3 18,4 22,7 27,3 35,2
Hefhoogte > 30 m
kooizijde 19,6 25,3 31,3 38,0 48,9
tegengew.zijde 14,7 19,1 23,6 28,6 36,8
toeslag per m 0,03 0,05 0,06 0,07 0,09
sprongbelasting 0,7 1,0 1,3 1,5 2,0

tabel 5 krachten op liftschachtwanden en putvloer, ontleend aan Jellema 6C bij directe ophanging van de liftkooi (Krachten in kN; Positie: kooizijde = boven ophangpunt liftkooi; tegengew.zijde = boven ophangpunt tegengewicht)

Lawaaibestrijding

Voor woongebouwen is in het Bouwbesluit vastgelegd dat het karakteristieke installatiegeluidsniveau in verblijfsruimten maximaal 30 dB(A) mag bedragen. Om geen hinder te veroorzaken is eigenlijk een niveau ≤ 25 dB(A) gewenst. Het geluidsniveau dat door een liftinstallatie wordt veroorzaakt wordt beïnvloed door:

  1. de situering van de liftmachine t.o.v. de verblijfsgebieden
  2. de bouwkundige constructie tussen liftinstallatie en de te beschermen ruimte
  3. de liftmachine
  4. de diverse installatieonderdelen zoals deuren, besturingsapparatuur.

De onderdelen c en d zijn fabrikaatgebonden.

In NPR 5073 “Geluidwering in woongebouwen-liftinstallaties” wordt tussen de aspecten a en b een onderlinge relatie gelegd, gecombineerd met voorwaarden aan de liftinstallatiecomponenten zelf.

De NPR geldt alleen voor een machinekamer boven de schacht.

De eisen aan de bouwkundige constructie worden gegeven als functie van een categoriale indeling, zie figuur 3. voor de eisen die gelden voor een vermogen R van de liftmachine kleiner dan 20 kW. In hoofdstuk 4. is een globale methode gegeven om R te berekenen.

Voor de situatie A en B gelden – afhankelijk van de uitvoering van de wanden waarbij in figuur 3. een keuze voor de minimaal vereiste massa is gegeven – aanvullend verschillende akoestische maatregelen voor de installatietechnische uitvoering. Hierbij gaat het over:

  • machineopstelling:
    • trillingsvrije opstelling
    • frame verzwaren
  • besturingsapparatuur: trillingsisolatie
  • schacht: geleiding
  • liftkooi:
    • ontruimen
    • sluitingsmechanisme liftdeuren

figuur 3 overzicht bouwkundige akoestische maatregelen aan liftschachten en machineruimte van woongebouwen, ontleend aan NPR 5073

Elektrisch vermogen

Voor elektrische tractieliften kan het benodigde elektrisch vermogen van de liftmachine bepaald worden met de formule:

    \[ R=\frac{9,8 \cdot B \cdot v}{\eta} \]

waarin:
R = vermogen liftmachine in W
B = maximale onbalansbelasting in kg
v = ontwerpsnelheid in m/s
η = efficiency overbrenging

De maximale onbalans belasting treeft op indien de lift vanuit de onderste stopplaats vertrekt. De maximale onbalansbelasting is dan gelijk aan het hefvermogen minus het tegengewicht plus het gewicht van de kabels en de optredende wrijving aan de geleiders.

Als voorbeeld:
hefvermogen: 630 kg
kabelgewicht: 70 kg
wrijving: 50 kg
contragewicht: 50%

B = 630 x 0,5 + 70 + 50 = 435 kg

De efficiency van de overbrenging is fabrikaatafhankelijk.
Globaal geldt:
Koppel in Nm efficiency
≤ 120 0,3
120 – 200 0,45
200 – 300 0,6
300 – 550 0,7

Het optredende koppel volgt uit
T = B/r

met:
r = straal kabelschijf in m

Dit geeft voor het voorbeeld uitgaande van r = 0,375 m:
T = 435 x 0,375 = 163 Nm
η = 0,45

Het vermogen van de liftmachine bij v = 1 m/s bedraagt dan
R = (9,8 x 435 x 1)/0,45 = 9500 W = 9,5 kW

Auteurs
    dr.ir. Peter van den Engel
    ir. John van der Vliet
    ir. Leo de Ruijsscher
    Martine Verhoeven
Tags
geleiders
hefvermogen
liftinstallatie
liftkooi
machinekamer
schacht