Inleiding
Aan de hand van de in een andere module besproken rekenmethode worden enkele voorbeelden weergegeven van de berekening van de koelbehoefte van kleine ruimten.
Voorbeelden
Voorbeeld 1: koelbehoefte kantoorvertrek
Voor dit voorbeeld wordt een tussenvertrek op de bovenste laag van een kantoorgebouw genomen.

figuur 1: voorbeeld 1, kantoorvertrek
Het betreft een gebouw met vrij veel massa (SWM=80 kg/m2). De borstwering heeft een massa van 300 kg/m2. Het dak bestaat uit beton met verlaagd plafond. De oriëntatie van het vertrek is West. Verdere gegevens zijn:
- netto hoogte : 2,7 m
- gevel breedte : 3,6 m
- vertrekdiepte : 5,4 m
- glasoppervlakte : 2,9 m2 (30% van inw. geveloppervlakte)
- glassoort : dubbel glas
- zonwering : buitenzonwering (jaloezieën)
- bezetting : 2 personen, 100% aanwezig
- verlichting : TL-verlichting met luchtafvoer
- apparatuur : 1 PC/persoon
- ontwerp-binnentemperatuur : 25 oC
- ontwerp-buitentemperatuur : 28 oC
- infiltratie : 0,3-voud
Omdat de oriëntatie West is, treedt de maximale belasting op om ongeveer 16 uur zonnetijd
(zie tabel). Om de invloed van het type zonwering en grotere ramen na te gaan worden de berekeningen herhaald voor binnenzonwering en glaspercentages van 60 en 90%. De koelbehoefte bij 30 % glas en ZTA = 0,15 is:
| Φz,gl | = z.Agl.ZTA.qconv = 1 . 2,9 . 0,15 . 340 | = 148 W |
| Φtr,gl | = U.Agl.(θe-θi) = 3,0 . 2,9 . (28 – 25) | = 26 |
| Φz,w, borstw | = a.Awi.qw = 0,7 . (2,7 . 3,6 – 2,9) . 1,9 | = 11 |
| Φz,w, dak | = 0,7 . 3,6 . 5,4 . (-3,9) | = -53 |
| Φinf | = 0,3 . 3,6 . 2,7 . 5,4 . 1,2 . 1000 . (28-25) / 3600 | = 16 |
| Φp | = 2 . 80 | = 160 |
| Φl | = 5 . 3.6 . 5.4 | = 97 |
| Φa | = 2 . 100 | = 200 |
| Φk | = 605 W |
De specifieke koelbehoefte is:
Φk,sp = Φk / Avl = 605 / (3,6 x 5,4) = 31 W/m2
Systeemkeuze bij mechanische koeling
Uit tabel 1 blijkt dat voor deze specifieke koelbehoefte een VAV-systeem een geschikte keuze is, omdat dit systeem ten minste een even groot specifiek koelvermogen kan leveren.
| systeem | ventilatievoud | ruimtehoogte in meter | |||||||
| h-1 | 2,4 | 2,7 | 3,0 | 3,5 | 4,0 | 5,0 | 6,0 | ||
| Δθ = 6oC | 8oC | 10oC | 12oC | 12oC | 12oC | 12oC | |||
| A | VAV of CAV 1) | 3 | 15 2) | 20 | 30 | 40 | 50 | 60 | 70 |
| 4 | 20 | 30 | 40 | 55 | 65 | 80 | 95 | ||
| 5 | 25 | 35 | 50 | 70 | 80 | 100 | 120 | ||
| 6 | 30 | 45 | 60 | 85 | 95 | 120 | 145 | ||
| B | kwelventilatie 3) | 8 | – | 30 | 35 | 4) | 4) | 4) | 4) |
| C | inductie / fan-coil | 10 | 50 | 75 | 100 | 140 | 160 | 200 | 240 |
| D | plafondkoeling 5) of betonkernactivering | – | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 |
| E | vloerkoeling 5) | – | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 | 20 |
| F | zuivere verdringing 6) | 250 | 800 | 900 | 1000 | 1150 | 1350 | 1500 | 2000 |
| A+D | 2 | 70 | 75 | 80 | 90 | 90 | 100 | 110 | |
| 3 | 75 | 80 | 90 | 100 | 110 | 120 | 130 | ||
| 4 | 80 | 90 | 100 | 115 | 125 | 140 | 155 | ||
| 6 | 85 | 100 | 100 | 140 | 155 | 180 | 205 | ||
| B + D | 8 | – | 80 | 85 | 4) | 4) | 4) | 4) | |
| C + D | 10 | 90 | 100 | 100 | 140 | 160 | 200 | 240 | |
tabel 1: specifiek koelvermogen in W/m2 vloeroppervlakte van verschillende systemen en combinaties van systemen bij verschillende ruimtehoogten
1) Voor “volledig lucht”-systemen (A) tot 6-voudige ventilatie. Bij hogere ventilatievouden zijn deze systemen economisch niet verantwoord.
2) Bij de cursief gedrukte waarden is met natuurlijke koeling te volstaan.
3) Δθ max. 4 oC, bij hogere ruimten – afhankelijk van de ruimtefunctie – eventueel meer.
4) Hiervan is onvoldoende bekend.
5) Deze systemen toepassen in combinatie met een systeem waarmee geventileerd wordt.
6) Toepassing alleen in bijzondere ruimten.
Uit deze tabel is verder af te leiden dat voor een ruimtehoogte van 2,7 m met een VAV-systeem een ventilatievoud van ruim 4 nodig is. Deze uitkomst is als volgt te verifiëren.
Wordt de ruimte gekoeld met lucht van 17 oC (Δθ = 8 oC, zie tabel 2), dan moet met dit systeem een hoeveelheid lucht worden toegevoerd van:
| hoogte van de ruimte Δθ | m oC |
| 2,4 | 6 |
| 2,7 | 8 |
| 3,0 | 10 |
| 3,5 | 12 |
| 4,0 | 15 |
tabel 2: maximaal temperatuurverschil bij toevoer van gekoelde lucht
qv = Φk / (ρ . c . Δθ) = 605 / (1,2 . 1000 . 8) = 0,063 m3/s = 227 m3/h
Dit komt overeen met een ventilatievoud van:
n = qv / V = 227 / (3,6 x 5,4 x 2,7) = 4,3 h-1
Dit is goed. De praktijk laat zien dat bij luchtkoeling het ventilatievoud bij voorkeur niet beneden de 2 moet liggen om een slechte luchtverdeling – met te grote temperatuurverschillen in de “leef-zone” – te voorkomen. Meer dan 10-voud geeft kans op tocht.
Een onnodig hoog ventilatievoud is aan de andere kant om energetische redenen ook niet wenselijk. Met een ventilatievoud van 2 wordt voor een kantoor al voldaan aan het Bouwbesluit (eis: 1,3 dm3/s.m2 = 4,7 m3/h.m2).
Natuurlijke ventilatie
Zou de ruimte op natuurlijke wijze worden gekoeld, dan is de benodigde ventilatie en de oppervlakte van de raamopeningen te berekenen door uit te gaan van een temperatuurverhoging van 3 oC. Hieruit volgt een luchthoeveelheid van:
qv,nv = Φk / (ρ . c . Δθ) = 605 / (1,2 . 1000 . 3) = 0,17 m3/s
Het daarbij behorende ventilatievoud is:
nnv = qv,nv . 3600 / V = 0,17 . 3600 / (3,6 x 5,4 x 2,7) = 11,6 h-1
Dit is voor verblijfsruimten te hoog en kan tot tochtklachten leiden. Zou toch worden besloten om deze ruimte natuurlijk te koelen dan zou, volgens de eerste benadering en uitgaande van raamopeningen op de zelfde hoogte in de gevel die zowel voor toevoer als afvoer dienen en uitgaande van een luchtsnelheid van 0,4 m/s, daarvoor een totale oppervlakte aan raamopeningen nodig zijn van:
Atot = 1,4 . 2 . qv / v = 1,4 . 2 . 0,17 / 0,4 = 1,2 m2
Een iets nauwkeuriger benadering is mogelijk met:
Ao,tot = y . Φk / (130 . Δθ1,5 . h0,5) = 2,4 . 605 / (130 . 31,5 . 2,70,5) = 1,3 m2
Invloed glaspercentage en type zonwering op koelbehoefte
Bij andere glaspercentages en binnenzonwering vinden we koelbehoeften en ventilatievouden zoals in het volgende overzicht. Hieruit blijkt dat hoge glaspercentages in combinatie met binnenzonwering dramatische gevolgen heeft voor de koelbehoefte en daarmee voor de systeemkeuze, zeker als je bedenkt dat een ventilatievoud van meer dan 10 tot tochtklachten kan leiden.
| buitenzonwering | binnenzonwering | |||||
| ZTA = 0,15 | ZTA = 0,5 | |||||
| glaspercentage: | 30 | 60 | 90 | 30 | 60 | 90 |
| Φz,gl [W] | 148 | 296 | 444 | 899 | 1798 | 2697 |
| Φtr,gl [W] | 26 | 52 | 78 | 26 | 52 | 78 |
| Φz,w (borstw) [W] | 11 | 7 | 2 | 11 | 7 | 2 |
| Φz,w (dak) [W] | -53 | -53 | -53 | -53 | -53 | -53 |
| Φinf [W] | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 | 16 |
| Φp [W] | 160 | 160 | 160 | 160 | 160 | 160 |
| Φl [W] | 97 | 97 | 97 | 97 | 97 | 97 |
| Φa [W] | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 |
| Φk [W] | 605 | 775 | 944 | 1356 | 2255 | 3197 |
| Φk,sp [W] | 31 | 40 | 49 | 70 | 116 | 164 |
| nkoeling (Δθ=8 oC) h-1 | 4,3 | 5,5 | 6,7 | 9,7 | 16,1 | 22,9 |
| nnv (Δθ=3 oC) h-1 | 11,5 | 14,7 | 17,9 | 25,9 | 42,9 | 60,9 |
Invloed op systeemkeuze
Uit het voorgaande overzicht en de tabel blijkt dat een VAV-systeem een verantwoorde keuze is, mits buitenzonwering wordt toegepast en het glaspercentage niet meer is dan ca. 60%. Bij toepassing van 90% glas is een inductie- of een ventilatorconvector-systeem nodig. Ook voldoet de combinatie VAV + koelplafond. Verder blijkt uit tabel 1 dat bij 30% glas met binnenzonwering ten minste een inductie- of een ventilatorconvector-systeem nodig is. Bij meer dan 30% glas en binnenzonwering is er geen systeem dat voor een comfortabel binnenklimaat kan zorgen.
Invloed glaspercentage, type zonwering, interne belasting en specifiek werkzame massa
De interne warmtebelasting is in dit voorbeeld totaal 23,5 W/m2. Voor een kantoorgebouw dat de opdrachtgever zelf gaat gebruiken, kan dit een reële waarde zijn. Bij een kantoorgebouw voor “de markt” met onbekende bezetting of bedoeld voor flexibel gebruik wordt meestal met een interne belasting van 40 W/m2 gerekend. Voor het kantoorvertrek uit het voorbeeld zijn meer berekeningen gemaakt met verschillende interne belastingen, glaspercentages, typen zonwering en specifiek werkende massa’s. De resultaten – uitgedrukt in specifieke koelbehoefte – staan in de volgende tabel en zijn in figuur 2 grafisch weergegeven.

figuur 2: invloed zonwering, glaspercentage en gebouwmassa op koellast
| buitenzonwering | zonwerend glas | binnenzonwering | ||||||||
| ZTA = 0,15 | ZTA = 0,3 | ZTA = 0,5 | ||||||||
| glaspercentage | ||||||||||
| interne belasting [W/m2] | SWM [kg/m2] | 30 | 60 | 90 | 30 | 60 | 90 | 30 | 60 | 90 |
| 0 | 50 | 13 | 24 | 36 | 23 | 45 | 67 | 51 | 101 | 151 |
| 80 | 11 | 20 | 29 | 19 | 36 | 53 | 46 | 97 | 144 | |
| 20 | 50 | 33 | 44 | 56 | 43 | 65 | 87 | 71 | 121 | 171 |
| 80 | 31 | 40 | 49 | 39 | 56 | 73 | 66 | 117 | 164 | |
| 35 | 50 | 48 | 57 | 71 | 58 | 80 | 102 | 86 | 136 | 186 |
| 80 | 46 | 55 | 64 | 54 | 71 | 88 | 81 | 132 | 179 | |
| 50 | 50 | 63 | 74 | 86 | 73 | 95 | 117 | 101 | 151 | 201 |
| 80 | 61 | 70 | 79 | 69 | 86 | 103 | 96 | 147 | 194 | |
Voorbeeld 2: koelbehoefte hoekvertrek
Voor dit voorbeeld wordt het kantoorvertrek uit voorbeeld 1 genomen, met als verschil dat de zuidzijde een gevel is met een raam dat net zo groot is als het raam in de westgevel, zie figuur 3.

figuur 3: voorbeeld 2, hoekvertrek
Als berekeningstijdstip wordt daarom 16 uur zonnetijd genomen. De belasting via de zuidgevel is op dat moment:
| Φz,gl = z.Agl.ZTA.qconv.fd | = 1 . 2,9 . 0,15 . 310 . 0,8 | = 108 W |
| Φtr,gl = U.Agl.(θe-θi) | = 3,0 . 2,9 . (28 – 25) | = 26 |
| Φz,w = a.Awi.qw | = 0,7 . (2,7 . 5,4 – 2,9) . 1,6 | = 13 |
| 145 W | ||
De totale koelbehoefte van de ruimte wordt daardoor:
Φk = 605 + 145 = 750 W
En de specifieke koelbehoefte:
Φk,sp = Φk / Avl = 750 / (3,6 x 5,4) = 39 W/m2
Voorbeeld 3, Koelbehoefte kantoortuin met ramen op 3 oriëntaties
Dit voorbeeld betreft een ruimte op de bovenste laag van een kantoorgebouw, zie figuur 4.

figuur 4 voorbeeld 3, kantoortuin
De ruimte heeft, mede door de vele ramen, een geringe Specifiek Werkende Massa (SWM=50 kg/m2). Het gesloten gedeelte van de buitenmuur heeft een massa van 200 kg/m2. Het dak is van beton met daaronder een verlaagd plafond. De geveloriëntaties zijn NO, ZO en ZW. Aan de NW-zijde grenst de kantoortuin aan een verkeersruimte. Verdere gegevens zijn:
- netto hoogte 2,7 m
- lengte NO-gevel 18,0 m
- lengte ZO-gevel 12,6 m
- lengte ZW-gevel 18,0 m
- glasoppervlakte NO 9,0 m2
- glasoppervlakte ZO 12,0 m2
- glasoppervlakte ZW 18,0 m2
- beglazing speciaal zonwerend glas ZTA=0,37 U=1,8 W/(m2K)
- bezetting 18 personen
- verlichting “TL”-verlichting (luchtafvoer via armaturen)
- apparatuur 18 PC’s en 3 printers
- ontwerp-binnentemperatuur 25 oC
- ontwerp-buitentemperatuur 28 oC
- infiltratie 0,3-voud
Omdat er ramen op verschillende oriëntaties zitten moet de koelbehoefte voor meerdere tijdstippen worden berekend. De “constante” delen van de koelbehoefte zijn bij elkaar genomen:
| Φtr,gl, gevel | = U.Agl.(θe-θi) | = 1,8 . (9+12+18) . (28-25) | = 211 |
| Φz,w, gevel NO | = a.Awi.qw | = 0,7 . (18,0 . 2,7 – 9) . (-1,1) | = -30 |
| Φz,w, gevel ZO | = 0,7 . (12,6 . 2,7 – 12) . 1,6 | = 25 | |
| Φz,w, gevel ZW | = 0,7 . (18,0 . 2,7 – 18) . 6,8 | = 146 | |
| Φz,w, dak | = 0,7 . 18,0 . 12,6 . (-3,9) | = -619 | |
| Φinf | = 0,3 . 18 . 12,6 . 2,7 . 1,2 . 1000 . (28-25) / 3600 | = 184 | |
| Φp | = 18 . 80 | = 1440 | |
| Φl | = 5 . 18 . 12,6 | = 1134 | |
| Φa | = (18 . 100 + 3. 100) | = 2100 | |
| Φk, vast | = 4591 W | ||
De variabele delen van de koelbehoefte zijn:
| Φz,gl, NO = | z . Agl . ZTA . qconv . fd | = 1 . 9 . 0,37 . 330 . fd | = 1099.fd |
| Φz,gl, ZO = | = 1 . 12 . 0,37 . 450 . | = 1998.fd | |
| Φz,gl, ZW = | = 1 . 18 . 0,37 . 450 . fd | = 2997.fd |
Met de fd -waarden uit de tabel leidt dit voor verschillende tijdstippen tot het volgende overzicht:
| 8 uur | 9 uur | 10 uur | 13 uur | 16 uur | ||
| Φz,gl, NO | = 1099.fd = | 1099 | 989 | 879 | 659 | 549 |
| Φz,gl, ZO | = 1998.fd = | 1399 | 1798 | 1998 | 1598 | 1199 |
| Φz,gl, ZW | = 2997.fd = | 899 | 899 | 1199 | 2098 | 2997 |
| Φk, variabel | 3397 | 3686 | 4076 | 4355 | 4745 | |
| Φk, constant | 4591 | 4591 | 4591 | 4591 | 4591 | |
| Φk, totaal | 7988 | 8277 | 8667 | 8946 | 9336 W |
De maximale koelbehoefte is 9336 W. De maximale specifieke koelbehoefte wordt daardoor:
Φk,sp = Φk / Avl = 9336 / (18 x 12,6) = 41 W/m2
Systeemkeuze
Uit tabel 1 blijkt dat een VAV-systeem een geschikte keuze is en dat voor een ruimtehoogte van 2,7 m een ventilatievoud van bijna 6 nodig is. Deze uitkomst is als volgt te verifiëren. Bij koeling met lucht van 17 oC (Δθ = 8 oC, zie tabel 2) moet met dit systeem een hoeveelheid lucht worden toegevoerd van:
qv = Φk / (ρ . c . Δθ) = 9336 / (1,2 . 1000 . 8) = 0,97 m3/s = 3500 m3/h
Dit komt neer op een ventilatievoud van:
n = qv / V = 3500 / (18 x 12,6 x 2,7) = 5,7 h-1
De praktijk laat zien dat bij luchtkoeling het ventilatievoud meer dan 2 moet zijn om een slechte luchtverdeling en grote temperatuurverschillen in de “leefzone” te voorkomen. Meer dan 10-voud geeft kans op tocht. De berekende 5,7-voud voldoet dus.