Handboek bouwfysische kwaliteit gebouwen

Binnenluchtkwaliteit

Een goede binnenluchtkwaliteit is van belang zodat:

personen geen nadelige gezondheidseffecten ondervinden.

personen zo optimaal mogelijk kunnen presteren.

geen schade optreedt aan goederen of processen.

Minimale luchtverversingseisen in gebouwen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Deze hebben ten doel om de gezondheid voor mensen te waarborgen. Het Bouwbesluit waarborgt daarmee niet de optimale omstandigheden om goed te kunnen presteren. Evenmin waarborgt het dat er geen schade optreedt aan goederen of processen. Dit kunnen redenen zijn om hogere eisen in een PvE te hanteren dan de wettelijke ondergrens. Dit handboek geeft prestatierichtlijnen om een optimaal binnenklimaat te realiseren. Tevens worden hiermee storingen en onderhoudskosten geminimaliseerd. De richtlijnen kunnen als volgt onderverdeeld worden:

Voorkomen van vervuiling door:

Vaak voorkomende oorzaken te beperken.

toepassen van emissiearme materialen.

aparte ruimten voor vervuilende apparaten en/of processen.

goede ventilatievoorzieningen.

Adequate verse luchttoevoer.

Individuele beïnvloedingsmogelijkheden voor luchtkwaliteit.

Borging van prestaties.

Basiseisen t.b.v. het handboek

Voor het bereiken van de doelstelling van een gezond binnenmilieu op basis van een goede luchtkwaliteit wordt de filosofie gevolgd dat:

Vervuilingsbronnen -zoveel mogelijk- worden voorkomen,

Vervuiling -indien mogelijk- via natuurlijke weg wordt afgevoerd,

Maatregelen ter verbetering zo efficiënt mogelijk functioneren.

Deze filosofie is vergelijkbaar met de geachte achter de Trias Energetica (zie hoofdstuk 2.2).

Ten behoeve van het binnenmilieu kunnen hieruit de volgende aandachtspunten worden afgeleid:

De kwaliteit van het binnenmilieu dient er op gericht te zijn bij een acceptabel comfortniveau de productiviteit van mensen in het gebouw te verhogen en het ziekteverzuim te verlagen.

Deze kwaliteit dient in het gebouw daar gerealiseerd te worden waar lucht wordt ingeademd en ten aanzien van irriterende agentia, waar personen in contact komen met de omringende lucht.

In zones binnen het gebouw waar slechts kortstondig personen aanwezig zijn of alleen tijdens bijzondere situaties (bijv. hoog in een ruimte) kan met een lagere luchtkwaliteit worden volstaan.

Door een effectief en efficiënt ventilatiesysteem worden onvermijdelijke verontreinigingen van de binnenlucht afgevoerd. Bij voorkeur worden natuurlijke principes toegepast, die tot een energiezuinige en robuuste luchtuitwisseling leiden door toepassing van fysische stromingsprincipes zoals thermische trek, benutting van winddruk, luchtstroming van licht vervuild naar zwaar vervuild en dergelijke.

De verspreiding en menging van vervuiling dient zo veel mogelijk te worden voorkomen, bijvoorbeeld door toepassing van luchtdichte scheidingsconstructies, overdrukprincipe en dergelijke.

Het ventilatiesysteem moet eenvoudig en robuust van opzet zijn, waardoor reinigen en onderhoud gemakkelijk kunnen plaatsvinden en het risico op verstoringen gering is.

De manier waarop toe- en afvoervoorzieningen voor ventilatielucht worden ontworpen bepaalt in sterke mate de effectiviteit van de luchtverversing. Door slimme ontwerpkeuzes kan een hoge luchtkwaliteit met een lage luchthoeveelheid worden behaald.

De debieten en regeling van het ventilatiesysteem dienen gericht te zijn op het beoogde doel van luchtkwaliteit, dus voorkomen moet worden dat voor personen wordt geventileerd als deze niet aanwezig zijn of voor emissies van bouwmaterialen e.d. als deze niet voorkomen. Door zogenaamd vraaggestuurd ventileren is een goede luchtkwaliteit te realiseren, ook in een energiezuinig ontwerp. Het voorkomen van onnodig ventileren beperkt tevens kosten, slijtage, onderhoud en geluidhinder.

NEN-EN 15251 bevat richtlijnen voor een goed binnenklimaat. In de bijlagen van de norm wordt een methode beschreven waarmee de capaciteit van een ventilatiesysteem kan worden ontworpen. Hierbij wordt een verband gelegd tussen het aantal verwachte ontevreden gebouwgebruikers en de toegepaste ventilatiedebieten. De ventilatiecapaciteit wordt afhankelijk gesteld aan de verontreiniging door mensen (op basis van CO2-belasting) en verontreiniging door de materialen en componenten in het gebouw. Dit is uitgedrukt in vier kwaliteitsniveaus.

Het Bouwbesluit stelt in artikel 3.29 eisen aan de ventilatiecapaciteit voor een kantoorfunctie bepaald volgens NEN 1087. Voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte geldt een ventilatiecapaciteit ≥ 6,5 dm3/s per persoon.

Prestatieniveaus:

Categorie

Omschrijving

I

Een hoog ambitieniveau, wordt aanbevolen voor ruimten die gebruikt worden door zeer gevoelige en vatbare personen zoals gehandicapten, zieken, jonge kinderen en ouderen.

II

Een gemiddeld ambitieniveau voor gebruik in nieuwbouw en renovaties

III

Een acceptabel ambitieniveau voor gebruik in bestaande gebouwen

IV

Waarden die niet voldoen aan de criteria voor de categorieën I t/m III. Deze categorie is alleen acceptabel voor gebruik gedurende een tijdelijk gedeelte van een jaar

Tabel 42 : Indeling in 4 categorieën luchtkwaliteit voor gebouwen (NEN-EN 15251).

Bepalingsmethode:

NEN-EN 15251: Ventilation for buildings - Calculation methods for energy losses due to ventilation and infiltration in commercial buildings.

Aanvulling(en):

In dit handboek wordt geen verdeling gemaakt naar nieuwe of bestaande gebouwen. Het is immers voor de gezondheid en functionaliteit van de gebruiker niet relevant of de activiteit in een bestaand of nieuw gebouw gebeurt. Wel is het relevant om een onderscheid te maken naar gebruikers:

extra of normaal vatbaar voor luchtverontreinigingen en

(eventueel) verminderd vatbaar dankzij specifieke persoonsbescherming en

naar de duur van het verblijf.

Bij de formulering van prestatie-eisen is (in de norm) van een aantal standaard gebruiksituaties uitgegaan voor een kantooromgeving. Dit leidt tot de volgende omschrijving van categorieën:

ruimten met bijzondere hoge eisen aan de luchtkwaliteit (conform NEN-EN 15251 komt dit overeen met 15 % ontevredenen);

ruimten met een standaard luchtkwaliteit, bedoeld voor langdurig verblijf (langer dan 2 uur per dag) (conform NEN-EN 15251 komt dit overeen met 20 % ontevredenen);

ruimten met een lagere luchtkwaliteit, bedoeld voor kortdurig verblijf van personen (conform NEN-EN 15251 komt dit overeen met 30 % ontevredenen);

ruimten met specifieke eisen, die primair niet bedoeld zijn voor het verblijf van personen, zoals techniek, opslag, e.d.

Voorkomen van vervuiling- en verontreinigingsbronnen

Vaak voorkomende oorzaken te beperken

Beperk de risico’s van vervuiling door vaak voorkomende oorzaken te vermijden of alleen toe te passen als de risico’s voor de binnenluchtkwaliteit goed omschreven zijn en zijn afgedekt met maatregelen om luchtvervuiling te voorkomen.

Een vaak voorkomende oorzaak is recirculatie van ventilatielucht. Dit moet worden vermeden en is ook niet (meer) nodig omdat er warmteterugwinning uit de afvoerlucht mogelijk is. Bij toepassing van warmterugwinapparatuur (met name warmtewielen) moet extra aandacht worden besteed aan een correctie uitvoering om kortsluiting tussen de afvoier en toevoerlucht en vervuiling te voorkomen. Bevochtiging van de toevoerlucht moet met stoom plaatsvinden om besmetting met legionella bacterieën te voorkomen.

Tijdens de levering, opslag en montage van bouwdelen en met name onderdelen van het ventilatiesysteem dient zorg te worden gedragen dat deze zo min mogelijk vervuilen en schoon worden opgeleverd. Bij gefaseerde oplevering en tijdens de (af)bouw) worden maatregelen genomen om te voorkomen dat gerede onderdelen vervuilen door werkzaamheden elders in het gebouw.

Regelmatig schoonmaken van het gebouw beperkt de blootstelling aan ongewenste stoffen en resulteert daarmee in minder gezondheidsklachten. De systematiek van de Vereniging Schoonmaak Research (VSR) geeft hiervoor goede richtlijnen. Verlangd wordt dat niet alleen het schoonmaakbeleid hierop gericht is, maar ook het ontwerp van de huisvesting en dienstverlening zodat ook de gebruikers hieraan bij kunnen dragen.

Toepassen van emissiearme materialen

De interieurmaterialen zijn voldoende emissiearm zodat verontreinigingen voorkomen worden. Ze geven tijdens de gebruiksfase alleen in beperkte mate vluchtige organische stoffen af, nauwelijks semivluchtige organische stoffen en verwaarloosbare hoeveelheden kankerverwekkende stoffen. Ook verspreiden ze geen overmatige hoeveelheden (fijn)stof of glas- en steenwolvezels.

Bij de keuze van materialen dient rekening te worden gehouden met de emissie van schadelijke stoffen die de gezondheid kunnen aantasten. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met bijzondere omstandigheden als bijvoorbeeld brand.

Bij toepassing van producten en bouwmaterialen (zoals lijmen, kitten, verf, etc.) die een hoge begin-emissie kennen, worden deze zoveel mogelijk buiten het gebouw toegepast of opgeslagen, totdat de emissie een acceptabele lage waarde heeft. Als dit niet mogelijk is, dient in het gebouw in de beginperiode een aangepast (hoger) ventilatieregime te worden toegepast om de vervuilingen zo snel mogelijk af te voeren.

Prestatieniveaus:

De materiaaleisen zoals gesteld in NEN-EN 15251 (annex C) voor low-polluting en very low-polluting buildings worden als volgt aangehouden:

Categorie I: Eisen voor very low-polluting buildings;

Categorie II: Eisen voor low-polluting buildings;

Categorie III/IV: Geen eisen aan bouw- en inrichtingsmaterialen.

Bepalingsmethode:

NEN-EN 15251: Ventilation for buildings - Calculation methods for energy losses due to ventilation and infiltration in commercial buildings.

Aanvulling(en):

Het voldoen aan de eisen dient te worden aangetoond door het overleggen van emissielabels, keurmerken, e.d.. Op basis van een testrapport door een gecertificeerd laboratorium (conform NEN-EN-ISO_IEC 17025:2005) kan voor specifieke producten of materialen een gelijkwaardigheid aan genoemde emissielabels worden aangetoond. Keurmerken en richtlijnen die de ontwerper kunnen helpen om aan de bovenstaande eisen te voldoen zijn: AgBB, GUT, Blauer Engel, KOMO (formaldehyde), Emicode (lijmen).

Aparte ruimten voor vervuilende apparaten of processen

Goede ventilatievoorzieningen

Hiervoor worden de volgende functionele eisen vastgelegd:

Het ventilatiesysteem (mechanisch dan wel natuurlijk) voert lucht toe van een hoge kwaliteit. Het ventilatiesysteem is dus zo ontworpen en uitgevoerd dat de ventilatielucht onderweg (bijvoorbeeld vanaf het buitenlucht aanzuigrooster tot aan het inblaasrooster in de ruimte) niet onnodig verontreinigd raakt (door stof, vezels, microbiologische agentia, e.d.).

Op locaties waar sprake is van vervuilde buitenlucht zorgt het ventilatiesysteem voor reiniging (bijv. filtering) van deze lucht alvorens deze in de ruimte wordt toegevoerd.

De locatie van de aanzuiging van verse buitenlucht (of ventilatievoorzieningen ten behoeve van natuurlijke ventilatie) wordt zodanig gekozen dat vervuiling door lokale bronnen (bijv. luchtafblaas van verschillende bronnen en emissies van dakbedekking) zo veel mogelijk voorkomen wordt.

Het gekozen systeem voor luchtverversing dient op bovenstaande eisen te worden ontworpen, uitgevoerd en onderhouden. Middels een kwaliteitsborgingsysteem (commissioningplan) wordt aangetoond dat een blijvende functionele prestatie is geborgd. Het ontwerp, de uitvoering en het onderhoud dient gericht te zijn op het bereiken van de functionaliteit bij minimale luchthoeveelheden en een minimaal energiegebruik.

Op basis van (momentane) controlemetingen wordt de werking van het systeem gecontroleerd en periodiek bijgesteld.

Prestatieniveaus:

Categorie I en II:

Het mechanisch ventilatiesysteem is ontworpen en uitgevoerd conform de eisen uit VDI 6022 en ISSO-publicatie 55.3.

De selectie van de filters heeft plaatsgevonden conform NEN-EN 13779 (annex A3) op basis van de beoogde binnenluchtkwaliteit (indoor air quality, IDA) en de lokale kwaliteit van de buitenlucht (outdoor air quality, ODA).

Er vindt geen luchtbevochtiging plaats, tenzij benodigd voor opslag of productie.

Er is geen inwendige isolatie van kanalen toegepast.

De luchtdichtheid van de kanalen dient te voldoen aan klasse B van NEN-EN 12237.

Voorzieningen voor natuurlijke luchttoevoer geven geen emissies, geuren of andere luchtverontreinigingen aan de toevoerlucht af, zijn goed bereikbaar voor inwendige inspectie en reiniging en zijn handmatig afsluitbaar.

Categorie III/IV:

Voor deze categorie worden geen eisen gesteld.

Bepalingsmethode(n):

VDI 6022.

ISSO-publicatie 55.3.

NEN-EN 13779: “Ventilation for non-residential buildings - Performance requirements for ventilation and room-conditioning systems”.

NEN-EN 12237: “Ventilation for buildings - Ductwork - Strength and leakage of circular sheet metal ducts”.

Aanvulling(en):

De selectie van de filters dient plaats te vinden conform NEN-EN 13779 (annex A3) op basis van de beoogde binnenluchtkwaliteit (indoor air quality, IDA) en de lokale kwaliteit van de buitenlucht (outdoor air quality, ODA). De klassen voor de buitenlucht (ODA1 tot en met ODA 3) sluiten aan bij de klassen A, B en C zoals genoemd in het hoofdstuk stedenbouwfysica. De karakterisering van de luchtkwaliteit is strenger dan in de NEN-EN 13779. Daarmee wordt invulling gegeven aan het ambitieniveau voor wat betreft de luchtkwaliteit (en gezondheid/arbeidsproductiviteit) in overheidsgebouwen.

De luchtkwaliteit ter plaatse van het gebouw wordt bepaald op basis van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit, zoals vastgelegd in de Wet Milieubeheer. Daarin spelen naast de achtergrondconcentratie (gemiddelde luchtkwaliteit voor wegverkeer en industriële bronnen in 1 km2-vlakken) ook lokale omstandigheden (zoals wegverkeersintensiteit, rijgedrag en weglayout) een rol. De luchtkwaliteit kan eenvoudig worden bepaald met een zogenaamde CAR-berekening.

Door het karakteriseren van de concentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) wordt in de Nederlandse situatie goed inzicht gegeven in de totale luchtkwaliteit. Deze zijn maatgevend voor de beoordeling. Gezien de strengere klasse-indeling worden daarmee ook de gezondheidsrisico’s van zeer fijn stof (PM2,5) voldoende beheerst. In de komende jaren zal dit zeer fijne stof de rol van PM10 naar verwachting gaan vervangen en wordt de karakterisering van de buitenlucht aangepast.

Klasse

kwaliteit

[PM10] in µg/m3

[NO2] in µg/m3

A (ODA 1)

goed

< 20

< 20

B (ODA 2)

redelijk

20 – 30

20 – 30

C (ODA 3)

basis

30 - 40

30 – 40

Tabel 43 : Buitenluchtkwaliteit.

Situaties met een luchtkwaliteit die slechter is dan de 40 µgr/m3 in bovenstaande tabel komen nauwelijks voor in Nederland, zeker niet vanaf 2015, als Nederland moet voldoen aan de Europese regelgeving voor luchtkwaliteit. In voorkomende gevallen zijn extra aandacht voor luchtkwaliteit en aanvullende maatregelen nodig.

De onderstaande tabel geeft de (minimaal) aanbevolen filterklasse om een bepaalde luchtkwaliteit te halen, afhankelijk van de buitenluchtkwaliteit (bron: NEN-EN 13779). Natuurlijke toevoer van ventilatielucht is bij klasse II (= standaard luchtkwaliteit) beperkt tot locaties met een lage tot acceptabele verontreiniging van de buitenlucht (kwaliteitsklasse A). Natuurlijke ventilatie kan altijd worden toegepast bij klasse III en IV.

Buitenlucht

kwaliteit

Binnenluchtkwaliteit

I (IDA 1)

II (IDA 3)

III en IV

A (ODA 1)

F9

F7

Geen

B (ODA 2)

F7+F9 (2 secties)

F5+F7 (2 secties)

Geen

C (ODA 3)

F7+GF+F9 (3 secties)

F5+F7 (2 secties)

Geen

Tabel 44 : Filterselectie op basis van buitenlucht- en binnenluchtkwaliteit.

Gebouwen, die zijn gesitueerd in gebieden met een beperkte buitenluchtkwaliteit (kwaliteitsklasse C), dienen bij binnenluchtkwaliteitsklasse II op lichte overdruk (2 tot 5 Pa) te worden gehouden ten opzichte van de buitenlucht om infiltratie van vervuilde buitenlucht tegen te gaan. Bij binnenluchtkwaliteitsklasse I wordt aanbevolen om hiervan reeds uit te gaan bij gebieden met buitenluchtkwaliteitsklasse B.

Ten aanzien van het buitenluchtaanzuigrooster gelden de volgende eisen:

De locatie van het buitenluchtaanzuigrooster (zowel bij een natuurlijke als een mechanische toevoer) dient zodanig te zijn dat invloed van bronnen van luchtvervuiling (bijv. luchtafblaas, rookgas-afvoer en verkeer) en warmte (bijv. van dakvlak) wordt geminimaliseerd.

Het buitenluchtrooster dient geplaatst te worden conform de eisen NEN-EN 13779 (annex A2).

Het buitenluchtaanzuigrooster dient het binnendringen van neerslag (regen, sneeuw), ongedierte, e.d. te voorkomen.

Adequate verse luchttoevoer

Hiervoor gelden de volgende functionele eisen:

Het ventilatiesysteem (mechanisch dan wel natuurlijk) zorgt tijdens de gebruikstijd en bij aanwezigheid van personen, op ruimteniveau voor voldoende (effectieve) toevoer van verse lucht, zodanig dat bio-effluenten van gebruikers en emissies (van o.a. materialen en apparatuur) voldoende worden verdund en afgevoerd.

Het ventilatiesysteem (mechanisch dan wel natuurlijk) zorgt binnen gebruikstijd maar bij afwezigheid van personen, op ruimteniveau voor voldoende verse luchttoevoer zodanig dat emissies (van o.a. materialen en apparatuur) voldoende worden verdund en afgevoerd.

Voor kantoor- en bijeenkomstgebouwen geeft de huidige regelgeving minimale eisen voor de capaciteit van de luchtverversing. Deze capaciteiten dienen altijd aanwezig te zijn, tenzij op overtuigende wijze een gelijkwaardigheid (t.b.v. het bevoegd gezag wordt aangetoond).

Om geurhinder en gezondheidklachten te voorkomen is het raadzaam ook eisen te stellen aan het gebruik van de voorzieningen. Met als uitgangspunt de functionele eisen en prestatie-indicatoren is het goed denkbaar dat met afwijkende regelregimes en ventilatieconcepten toch het doel wordt bereikt. Het uitgangspunt is dus niet de hierna genoemde debieten, maar een -zo mogelijk kwantitatieve- onderbouwing van het concept.

De effectiviteit van het ventilatiesysteem is dus sterk afhankelijk van het gekozen inrichtingsconcept (beperking van verontreinigende bronnen) en het ventilatieconcept (de ventilatie efficiency):

Indien in het inrichtingsconcept voldoende aandacht is gegeven aan het beperken van verontreinigende bronnen (conform paragraaf 8.2.1) mag worden uitgegaan van lagere luchthoeveelheden per m² gebouwoppervlakte.

Indien in het ventilatieconcept gekozen wordt voor een systeem met een hogere ventilatie efficiency mag worden uitgegaan van lagere luchthoeveelheden per aanwezige persoon.

Dit betekent dat tijdens het gebruik de toegevoerde ventilatiedebieten kunnen worden gehalveerd (of meer) om verspilling tegen te gaan en een energiezuinig gebouw te realiseren.

Buiten de gebruikstijd van het gebouw gelden geen ventilatie-eisen. De luchtkwaliteit moet voldoende zijn tijdens de openstelling voor werknemers en bezoekers. Denkbaar is dat buiten normale gebruikstijden gedeelten van het gebouw worden geventileerd voor incidenteel gebruik of overwerk. De keuze of buiten gebruikstijd met een lage capaciteit wordt geventileerd om emissies af te voeren (bijv. in combinatie met nachtkoeling e.d.) of dat het gebouw voor openingstijd ‘klaar gezet wordt’ in de gebruikscondities wordt aan de uitvoerder/beheerder van de voorzieningen overgelaten.

Prestatieniveaus:

As bewijsvoering dient (behalve de vervuilingsgraad van bronnen, conform paragraaf 8.2.1) door berekeningen te worden aangetoond welke ventilatie efficiency met het gekozen systeem wordt bereikt. Als uitgangspunt voor de te hanteren debieten geldt de NEN-EN 15251. In onderstaande tabel wordt een voorbeeldberekeningen gegeven.

???

Tabel 45 : Voorbeeldberekeningen van ventilatiedebieten op basis van NEN-EN 15251.

Bepalingsmethode:

Ventilatie eisen conform EN 15251:2006

Individuele beïnvloeding van luchtkwaliteit

Er is voor gebouwgebruikers voorzien in adequate mogelijkheden ter beïnvloeding van de incidentele verse luchttoevoer, waarmee het mogelijk is incidentele verhoogde luchtvervuiling efficiënt af te voeren.

Bij de omschreven functionele eis wordt opgemerkt dat spuiventilatie ook bedoeld kan zijn om warmte versneld af te voeren en hiermee de ruimtetemperatuur te beïnvloeden.

Daarnaast wordt opgemerkt dat een voorziening in de vorm van ‘te openen geveldelen’ -al dan niet via een dubbele gevel, atrium, e.d.- bijdraagt in de tevredenheid van gebruikers. Behalve het toevoeren van buitenlucht gaan deze voorzieningen gevoelens van beslotenheid tegen en brengen een sensatie van het buitenklimaat in het gebouw teweeg, hetgeen door gebruikers vaak positief wordt gewaardeerd.

Desalniettemin laat deze formulering van de eisen de mogelijkheid open om in specifieke situaties een oplossing te realiseren die bijvoorbeeld gebaseerd is op een mechanische ventilatievoorziening.

Prestatieniveaus:

Kwaliteitsniveau

I

II

III

IV

capaciteit [dm3/s.m2]

verblijfsgebied

6,0

6,0

-

-

verblijfsruimte

3,0

3,0

-

-

Spuivoorziening

travee breedte [m]

3,60

3,60

3,60

geen

regelbaar

ja

ja

nee

geen

vrijelijk te openen

ja

nee

nee

nee

Tabel 46 : Prestatie niveaus voor spuiventilatie in 4 categorieën.

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

capaciteit [dm3/s.m2]

verblijfsgebied

-

≥ 6,0

≥ 6,0

verblijfsruimte

-

≥ 3,0

≥ 3,0

Spuivoorziening

travee breedte [m]

Nvt

3,60

3,60

regelbaar

Nvt

nee

ja

vrijelijk te openen

Nvt

nee

ja

Tabel 47 : Prestatieniveaus voor spuiventilatie in 3 klassen.

Bepalingsmethode:

Berekenen volgens NEN 1087.

Toetsen op tekening.

Aandachtspunten:

Bediening:

De spuivoorzieningen moeten eenvoudig door de gebruiker kunnen worden bediend. Deze bediening voorziet in een traploze regeling of in een regeling met ten minste drie standen, waarvan één (windvaste) kierstand.

Belemmerende buitencondities:

De volgende buitencondities kunnen een belemmering vormen voor het vrijelijk openen van ramen:

Geluidbelasting op de gevel van meer dan 60 dB.

Gebouwhoogte van meer dan 30 m.

Luchtverontreiniging van de buitenlucht (zie paragraaf 7.3.2) overeenstemmend met kwaliteitsklasse C (ODA 3).

Bij buitencondities die een belemmering vormen voor het vrijelijk openen van ramen, dienen bij kwaliteitsniveau ‘uitstekend’ in aanvulling op de aanwezigheid van te openen ramen tevens voorzieningen te worden getroffen om de individuele beïnvloeding te waarborgen dan wel wordt op basis van gelijkwaardigheid (bijvoorbeeld mechanische spuiventilatie) voorzien in deze eis.

Bij categorie II kan bij buitencondities die een belemmering vormen voor het vrijelijk openen van ramen, worden uitgegaan van een mechanische spui(ventilatie) als alternatief voor de aanwezigheid van te openen delen in de gevel. Een eventuele mechanische spuiventilatie dient echter wel door gebruikers bedienbaar te zijn per maximaal 4 werkplekken of per 3,6 meter gevelbreedte.

De kwaliteit en overige prestatiecondities van de toegevoerde lucht dienen te worden gerealiseerd op het punt waar de lucht een verblijfsgebied ingaat.

Berekening:

De capaciteit van de voorzieningen wordt bepaald conform NEN1087. Voor het bepalen van de capaciteit op verblijfsruimteniveau dient uit te worden gegaan van gesloten binnendeuren (geen ventilatie via twee gevels).

Categorie III:

Een voorziening per travee van 3,60 m, waarbij geen voorzieningen hoeven te worden getroffen voor ‘vrijelijk te openen’.

Categorie IV:

Geen eisen.

Borging van prestaties

Tijdens de gebruiksfase vindt periodieke monitoring plaats voor luchtkwaliteitparameters die niet rechtstreeks tot gebruiksklachten leiden. Om tijdens de gebruiksfase tevredenheid over de luchtkwaliteit te realiseren worden de volgende activiteiten opgenomen in het gebouwbeheersplan:

De bediening van voorzieningen dient gebruiksvriendelijk te zijn en aan te sluiten op intuïtieve verwachtingen over deze systemen van doorsnee gebouwgebruikers.

Prestatieniveaus:

Meldpunt voor en opvolging van gebruiksklachten over geurhinder, mufheid, bedomptheid en gerelateerde symptomen, zoals hoofdpijn, irritaties aan luchtwegen en slijmvliezen, en dergelijke.

Periodiek gebruikerstevredenheid onderzoek (elke 5 jaar) met voldoende grote steekproef naar de beleving van het binnenmilieu.

Periodieke metingen van niet-waarneembare luchtverontreinigingen, zoals fijnstof, VOC’s, microbiologische verontreiniging en veelvoorkomende chemische verontreinigingen (bijvoorbeeld formaldehyde en dergelijke).

Bepalingsmethode:

Controle van gebouwbeheersplan.

Definities

-

Relevante normen en documenten

AI 24: ‘Binnenmilieu’ (SDU).

Breeam-NL: (2010) beoordelingsrichtlijn Nieuwbouw, versie 2.0.

Cahier R2 Praktijkboek Gezonde gebouwen.

Handboek Binnenmilieu RIVM.

ISSO-publicatie 55.3: Legionellapreventie in klimaatinstallaties.

NEN 1087: Ventilatie van gebouwen - Bepalingsmethoden voor nieuwbouw.

NEN-EN 12237: Ventilatie van gebouwen - Luchtleidingen - Sterkte en lekdichtheid van ronde dun-wandige metalen.

NEN-EN 13779: Ventilatie voor utiliteitsgebouwen - Prestatie-eisen voor ventilatie- en luchtbehandelingssystemen; Regeling beoordeling luchtkwaliteit uit de Wet Milieubeheer.

NEN-EN 15251: Binnenmilieu gerelateerde input parameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch comfort, de verlichting en akoestiek.

NPR-CR 1752: Ventilatie van gebouwen – Ontwerpcriteria voor de binnenomstandigheden.

VDI 6022: Hygienic requirements for ventilating and air-conditioning systems and air-handling units.

Voorstel Binnenluchtkwaliteiteisen Rijksgebouwendienst 2010+, Fase 2 rapport, 2e concept d.d. 21 februari 2011, BBA Binnenmilieu.

versie
2.30

uitgave
juni 2018

gerelateerd