Handboek bouwfysische kwaliteit gebouwen

Gebouwschil en constructie

Veel eisen in dit handboek hebben een relatie met de gebouwschil. De belangrijkste kwaliteitseisen aan de gebouwschil worden in dit hoofdstuk afzonderlijk besproken. Daarbij moet men zich echter blijven realiseren dat ze een onderdeel vormen van een integraal ontwerpproces, waarbij de onderlinge beïnvloeding moet worden bekeken.

De volgende aspecten komen bij de gebouwschil aan de orde:

Daglichttoetreding en uitzicht (hoofdstuk 5)

Hygrische kwaliteit (inwendige condensatie) - par. 4.1

Waterdichtheid - par. 4.2

Thermische isolatie (niet-transparante en transparante geveldelen) - par. 4.3 en 4.4

Thermische bruggen - par. 4.5

Luchtdoorlatendheid - par. 4.6

Ventilatie (hoofdstuk 8)

Geluidwering - par. 4.7

Brandwerendheid - par. 4.8

Het betreft dus een groot aantal eisen uit verschillende invalshoeken. Een ontwerp dat aan alle eisen voldoet is daarom vaak een gecompliceerde en specialistische opgave. Zeker als er verzwarende omstandigheden zijn, zoals luchtvervuiling, een verhoogde geluidbelasting e.d. Het is verstandig deze aspecten gestructureerd te toetsen en de ontwerper van de gebouwschil onderbouwde adviezen aan te leveren om (bouwtechnische ‘details’ van) de gebouwschil te verbeteren.

Een aantal van bovenstaande aspecten wordt behandeld in aparte hoofdstukken van dit handboek (zie de inhoudsopgave).

Hygrische kwaliteit – inwendige condensatie

In situaties waar materialen in de constructies zijn opgenomen die hun prestaties verliezen ten gevolge van vochtophoping (bijvoorbeeld hout) zullen maatregelen getroffen moeten worden.

Meestal dient voorkomen te worden dat er in gevel- en dakconstructies inwendige condensatie optreedt. Er zijn constructies, zoals gemetselde spouwmuren, waar inwendige condensatie (tegen de binnenzijde van het buitenspouwblad) geen risico met zich meebrengt. Om inwendige condensatie ten gevolge van dampdiffusie tegen te gaan wordt de gevel- of dakconstructie geanalyseerd en wordt zo nodig een dampremmende laag in de constructie opgenomen. De analyse dient meestal rekenkundig ondersteund te worden met een dampdiffusieberekening middels programma’s zoals Glaser, Match, Wufi, Glasta of gelijkwaardig.

Om damptransport door convectie tegen te gaan is een luchtdichte gebouwschil nodig. De luchtdichtingen dienen aan de ‘warme zijde’ van de constructie te worden aangebracht.

De meeste adviseurs beschikken over voldoende kennis en rekenmodellen om de gevel- en dakconstructies zorgvuldig te ontwerpen op dit aspect. Toch hebben de samenstellers van dit handboek besloten enige richting te geven door uitgangspunten en prestatieniveaus (criteria) te presenteren. In Tabel 15a-c worden de maandgemiddelden gegeven voor de buitentemperatuur, de binnentemperatuur en de relatieve vochtigheid. Desgewenst kan ook gebruik worden gemaakt van de binnenklimaatklassen en gegevens voor de berekening van condensatie zoals die in de NEN-EN 13788 worden gegeven.

Jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Te [°C]

2,8

3,0

5,8

8,3

12,7

15,2

17,4

17,2

14,2

10,3

6,2

4,0

rv [%]

88

85

81

76

74

77

77

78

84

86

88

89

Tabel 15a : Buitenklimaat.

Jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

Ti [°C]

22,0

21,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

21,0

22,0

23,0

23,0

rvi [%]

58

50

43

39

36

35

39

43

50

57

60

60

Tabel 15b : Binnenklimaat kantoor.

Jan

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

Dec

Te [°C]

22,0

21,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

20,0

21,0

22,0

23,0

23,0

rvi [%]

63

55

48

44

41

40

45

48

55

61

65

65

Tabel 15c : Binnenklimaat kantoor met hoge bezetting (bovengrens klimaatklasse II).

Prestatieniveau (beoordelingscriteria)

Vocht dat tijdens de condensatieperiode condenseert in de constructie moet weer verdwijnen tijdens de droogperiode (zomer) (geen accumulatie van vocht)

De inwendige condensatie mag niet meer bedragen dan volgt uit onderstaande toetscriteria:

Materiaal

max. hoeveelheid. [g/m2]

steenachtig, vorstbestendig, buitenzijde dampremmende laag

50. c .d

steenachtig, niet vorstbestendig

300. o .d

hout, organische materialen

30. m .d

niet vochtbestendig verlijmd plaatmateriaal

50

niet capillaire folie, bij kans op lekkage naar binnen

100

isolatiematerialen

500

Tabel 16 : Toelaatbare hoeveelheid vocht.

Toename door inwendige condensatie met:

c kritisch watergehalte [vol %]

o maximaal watergehalte [vol %]

m de soortelijke massa van het materiaal [kg/m³]

d dikte van de materiaallaag [m]

Bepalingsmethode:

Dampdiffusieberekening (Glaser, Match, Wufi, Glasta, of gelijkwaardig).

Aanvulling(en):

Naast inwendige condensatie ten gevolge van dampdiffusie, kan inwendige condensatie ook ontstaan door convectie (luchtstroming door de gebouwschil). De condensatiehoeveelheid kan dan aanzienlijk zijn en tot grote schade leiden. Convectie wordt tegen gegaan door luchtdicht te bouwen, waarbij de luchtdichting zich aan de warme kant (normaal de binnenzijde) van de constructie bevindt.

Voorkom grote hoeveelheden bouwvocht. Te veel bouwvocht leidt tot hoge stookkosten de eerste jaren en kan in bepaalde situaties tot grote schade leiden.

Waterdichtheid

De gebouwschil dient waterdicht te zijn tegen alle vochtinvloeden van buiten.

Dat betekent niet alleen dat hemelwater niet door mag dringen tot het binnenmilieu, maar ook dat oppervlaktewater en grondwater door capillair transport niet het binnenoppervlak van de uitwendige scheidingsconstructie mag bereiken.

Het Bouwbesluit stelt de eis dat de uitwendige scheidingsconstructie waterdicht moet zijn, dit betekent dat water niet ‘zichtbaar’ mag zijn aan de binnenzijde en dat het vastgelegde evenwichtsvochtgehalte niet mag worden overschreden. De bepalingsmethoden om dit vast te stellen staan in de NEN 2778 “Vochtwering in gebouwen – Bepalingsmethoden“. Ook zijn laboratoriumproeven beschreven om dit vast te leggen.

Prestatieniveaus:

Water mag niet ‘zichtbaar’ zijn aan de binnenzijde of locaties waarvanuit een gecontroleerde waterafvoer niet mogelijk is. (NB. Denk bijvoorbeeld aan een hieldichting in een kozijnsysteem)

Het hygroscopisch evenwichtvochtgehalte mag niet worden overschreden.

Bepalingsmethode:

NEN 2778: “Vochtwering in gebouwen – Bepalingsmethoden”.

Aanvulling(en):

In de praktijk wordt vooral de beregeningsproef gebruikt. Achter een gevelelement wordt een ‘kast’ gebouwd die op onderdruk wordt gezet. Vervolgens wordt gedurende een bepaalde tijd een bepaalde hoeveelheid water tegen de gevel gesproeid. Vanzelfsprekend is de constructie niet waterdicht als dit water aan de binnenzijde doordringt.

Voorkomen is beter dan genezen en daarom dienen de details van de gebouwschil zorgvuldig ontworpen te worden. De NPR 2652: “Vochtwering in gebouwen - Wering van vocht van buiten en wering van vocht van binnen - Voorbeelden van bouwkundige details“ geeft aanwijzingen, die zijn overgenomen in de SBR-Referentiedetails. Gestructureerd toetsen van de details in de VO-, DO- en bestekfase en tijdens de werkvoorbereiding voorkomt grotendeels dat de details niet correct worden ontworpen. Vervolgens bepaalt het vakmanschap van de uitvoerende partijen of de gevraagde prestatie wordt gerealiseerd. Ook hier zijn gestructureerde inspecties nodig om klachten op langere termijn te voorkomen.

Thermische isolatie van niet-transparant geveldelen

De warmteweerstand van de niet transparante geveldelen moet zodanig zijn dat warmteverliezen in de winterperiode worden beperkt.

De prestatie-eisen hebben betrekking op (conform Bouwbesluit):

De niet transparante delen van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand.

Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd voor uitsluitend een ander doel dan het verblijven van mensen.

Uitgezonderd is een deel van de totale oppervlakte aan scheidingsconstructies, dat overeenkomt met ten hoogste 2% van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.

Prestatieniveaus:

Thermische

Isolatie

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

niet transparante delen

Rc;vloer ≥ 3,5 m2K/W

Rc;gevel ≥ 4,5 m2K/W

Rc;dak ≥ 6,0 m2K/W

Rc;vloer ≥ 4,5 m2K/W

Rc;gevel 6,5 m2K/W

Rc;dak ≥ 8,0 m2K/W

Rc;vloer ≥ 5,5 m2K/W

Rc;gevel 8,5 m2K/W

Rc;dak ≥ 10,0 m2K/W

Tabel 17 : Prestatieniveaus thermische isolatie.

Bepalingsmethode:

NEN 1068: “Thermische isolatie van gebouwen – Rekenmethode”

Aanvulling(en):

Borging thermische kwaliteit gebouwschil: Geadviseerd wordt om tijdens de opleveringsfase van het gebouw een thermografisch onderzoek door een gekwalificeerd bouwfysisch bureau uit te laten voeren, dat voldoet aan de eisen die hieraan zijn gesteld in NEN-EN 13187: “Thermische eigenschappen van gebouwen -Kwalitatieve detectie van thermische onregelmatigheden in de gebouwschil- Infraroodmethode”.

De uitvoerende partij dient er vooraf van op de hoogte te zijn dat de betreffende onderzoeken plaatsvinden, omdat alleen dan de gewenste verbetering van de bouwkwaliteit ook zal plaatsvinden.

Thermische isolatie van transparant geveldelen

De warmteweerstand van de transparante geveldelen moet zodanig zijn dat warmteverliezen in de winterperiode worden beperkt. Tegelijkertijd moet er in de zomerperiode voor gezorgd worden dat zontoetreding niet tot overmatige opwarming leidt.

De prestatie-eisen hebben betrekking op (conform Bouwbesluit):

De transparante delen van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand.

Een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een ruimte die niet wordt verwarmd of die wordt verwarmd voor uitsluitend een ander doel dan het verblijven van mensen.

Prestatieniveaus:

Thermische

Isolatie

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Ramen en deuren

Uw;maximaal ≤ 2,20 W/m2

Uw;gemiddeld ≤ 1,65 W/m2

Uw;maximaal ≤ 1,65 W/m2

Uw;gemiddeld ≤ 1,20 W/m2

Uw;maximaal ≤ 1,1 W/m2

Uw;gemiddeld ≤ 0,8 W/m2

Tabel 18 : Prestatieniveaus thermische isolatie.

Bepalingsmethode:

NEN 1068: “Thermische isolatie van gebouwen – Rekenmethode”

Aanvulling(en):

Tot de transparante geveldelen behoren glas, deur, kozijn en afstandhouder van het glas.

Behalve dat er door glas warmte verloren gaat ten gevolge van transmissie wordt er door zoninstraling ook warmte gewonnen. Hoeveel van deze zonnewarmte door het glas heen gaat wordt uitgedrukt in de ZTA-waarde. De gewenste zontoetreding door het glas is sterk afhankelijk van de interne warmtebronnen (IWB) per vierkante meter. Voorbeelden van interne warmtebronnen zijn personen, verlichting en apparatuur. In gebouwen met weinig IWB (o.a. hotels) zijn hogere ZTA-waardes gewenst dan in gebouwen met veel IWB.

Thermische bruggen

Uit gezondheidsoverwegingen dient de kans op het ontstaan van oppervlaktecondensatie en allergenen ter plaatse van thermische bruggen (koudebruggen) tegengegaan te worden. Daarnaast dient warmteverlies door thermische bruggen beperkt te worden.

Oppervlaktecondensatie wordt tegengegaan door de uitwendige scheidingsconstructie (schil) voldoende thermische kwaliteit te geven. Onderdeel daarvan is het reduceren van thermische bruggen. Daarnaast is de kans op het optreden van oppervlaktecondensatie mede afhankelijk van de vochtproductie/dampspanning in een gebouw. Er wordt onderscheid gemaakt in vier binnenklimaatklassen, onderverdeeld naar dampspanning. Deze klimaatklassen zijn een maat voor de kans op oppervlaktecondensatie. In Tabel 19 zijn de binnenklimaatklassen gedefinieerd.

Binnenklimaatklasse

Gemiddelde dampdruk binnen (Pi) per jaar in Pascal

Soort gebouw/ bouwwerk

I Geringe vochtproductie

1030 ≤ pi < 1080

Opslagruimten

II Matige vochtproductie

1080 ≤ pi < 1320

Kantoorgebouwen, winkels (zonder luchtbevochtiging in de winter)

III Normale vochtproductie

1320 ≤ pi < 1430

Woningen, scholen, bejaardentehuizen en gebouwen met geringe
luchtbevochtiging in de winter

IV Hoge vochtproductie

pi ≥ 1430

Wasserijen, zwembaden, zuivelfabrieken

Tabel 19 : Binnenklimaatklassen (bron: SBRCurnet infoblad 64 “Koudebruggen; inventarisatie van kritische plaatsen”).

Daarnaast gaat er via een thermische brug relatief veel warmte verloren. Het aandeel van het warmteverlies door deze thermische bruggen op het totale warmteverlies wordt groter naarmate gebouwen beter worden geïsoleerd.

Of een uitwendige scheidingsconstructie voldoende kwaliteit heeft om oppervlaktecondensatie en warmteverlies tegen te gaan, kan bepaald worden aan de hand van de binnenoppervlaktetemperatuur-factor (f-factor).

Prestatieniveaus:

De minimale eis uit het Bouwbesluit is een f-factor ≥ 0.5. Deze eis is alleen gebaseerd op het voorkomen van oppervlaktecondensatie, niet het tegengaan van warmteverlies.

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

f-factor woning

≥ 0,65

0,70

> 0,75

f-factor kantoor

≥ 0,50

0,60

> 0,70

Tabel 20 : minimaal vereiste f-factor

Bepalingsmethode:

NEN 2778 : “Vochtwering in gebouwen – Bepalingsmethoden“.

Aanvulling(en):

Veel leveranciers beschikken over berekeningen die aantonen dat voldaan wordt aan de in het Bouwbesluit aangegeven f-factor. Ook bij de SBR-Referentiedetails wordt de f-factor gegeven.

Luchtdoorlatendheid

Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige luchtdoorlatendheid dat het warmteverlies, en daarmee het energieverbruik, als gevolg van infiltratie en exfiltratie wordt beperkt en tochtklachten worden voorkomen.

Luchtdoorlatendheid van een gebouw als geheel, Bouwbesluit en EPC

Beperking van de luchtdoorlatendheid is een beoordelingsaspect in het Bouwbesluit 2012.

In afdeling 5.1 Energiezuinigheid is onder andere artikel 5.4 “Luchtvolumestroom” opgenomen. In artikel 5.4 wordt gesteld dat de luchtdoorlatendheid van de thermische schil, bepaald volgens NEN 2686:1988/A2:2008 Luchtdoorlatendheid van gebouwen - Meetmethode, niet groter mag zijn dan

0,2 m3/s (qv;10 ≤ 200 dm3/s bij 10 Pascal (Pa)). Deze eis wordt gesteld aan voor mensen verwarmde gebouwen. Voor gebouwen groter dan 500 m3 geldt de eis per eenheid gebouw van 500 m3.

Bij energieprestatieberekeningen moet gerekend worden met een qv;10;spec zoals aangegeven in NEN 8088-1. Deze waarde is veelal strenger dan bovengenoemde eis van het Bouwbesluit en is bedoeld om het energieverlies door infiltratie verder te beperken.

Opmerking: Voor de energieprestatie wordt gewerkt aan een nieuwe Nederlandse Technische Afspraak. In deze (NTA 8800) worden mogelijk ook nieuwe eisen geformuleerd. Zodra deze bekend zijn zullen ze in dit Handboek worden vermeld.

Bepalingsmethode:

Voor de meetmethode verwijst het Bouwbesluit naar

NEN 2686:1988/A2:2008: “Luchtdoorlatend van gebouwen - meetmethode”.

Prestatieniveau:

De volgens NEN 2686 bepaalde karakteristieke luchtvolumestroom ten gevolge van infiltratie door de gebouwschil (qv;10;kar per m2 gbo) mag niet groter zijn dan de specifieke luchtvolumestroom (qv10;spec) zoals deze in de epc-berekening is aangehouden. In aanvulling hierop mag de volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten (qv;10) niet groter zijn dan 200 dm3/s (conform de eisen van Het Bouwbesluit 2012).

Voor uitvoeringsaanbevelingen wordt verwezen naar SBR publicatie 360.13 ‘Luchtdicht bouwen’.

Aanvulling(en):

De eisen die het Bouwbesluit stelt laten relatief grote luchtverliezen toe. Dit past niet bij de huidige comfort- en energieprestatie-eisen. Ook is de Bouwbesluit eis ingehaald door de huidige bouwpraktijk. Toetsing aan de waarde die in de epc berekening is aangehouden is relevanter en zal in de regel maatgevend zijn.

Waarborging luchtdichtheid gebouwschil: Geadviseerd wordt om tijdens de opleveringsfase van het gebouw een luchtdoorlatendheidsmeting uit te laten voeren die voldoet aan de eisen die hieraan zijn gesteld in NEN 2686 “Luchtdoorlatendheid van gebouwen - Meetmethode”

Deze norm is overigens in feite niet toepasbaar bij het meten van grotere gebouwen omdat de werkingssfeer is beperkt tot gebouwen met een volume van 3000 m3. In de praktijk wordt voor grote gebouwen vaak de BREEAM-methode aangehouden (NEN-EN 13829) met dezelfde beperkingen: volumes groter dan 3000 m3 kunnen moeilijk op druk worden gebracht. Deze norm is voor de geldigheid voorzien van een criterium: tenminste 25 Pa over- of onderdruk. Of gewoon de NEN 2686, maar wel met een soortgelijk criterium.

Luchtdoorlatendheid van de gevel

In aanvulling op de bovengenoemde eisen is het uit bouwfysisch oogpunt aan te raden om strengere eisen te stellen aan de luchtdoorlatendheid van de gevel bij bijvoorbeeld hogere gebouwen of gebouwen die aan de kust zijn gelegen.

Bij het afleiden van de richtlijnen van de Rijksgebouwendienst (nu RVB) werd als uitgangspunt de formulering uit de toenmalige (1984) NEN 1087 “Ventilatie van Woongebouwen” genomen:

“Als aanvaardbaar wordt beschouwd dat ten hoogste één aaneengesloten uur per jaar de hoeveelheid lucht die door naden en kieren naar binnen komt gelijk is aan of groter dan de gewenste hoeveelheid lucht voor ventilatie”.

Op basis daarvan zijn de eisen bepaald die in tabel 2 gesteld zijn onder “basis”. Deze eisen geven ook nu nog een goede basiskwaliteit.

De eisen worden uitgedrukt in dm3/s.m2 voor een geveldeel als geheel en in dm3/s.m voor de luchtdoorlatendheid van naden en kieren afzonderlijk. De luchtdoorlatendheidseisen worden strenger naarmate het gebouw hoger wordt. Op grotere hoogte is de windsnelheid immers groter. Dit wordt gerealiseerd door de toetsingsdruk afhankelijk te maken van de gebouwhoogte. De maximaal toelaatbare waarde voor de luchtdoorlatendheid in dm3/s.m2 en dm3/s.m blijft hetzelfde.

Hoewel de eisen zijn geformuleerd voor “gevels” zorgen ze voor een voldoende beperking van de luchtdoorlatendheid van de gebouwschil als geheel, omdat ervan wordt uitgegaan dat de aansluitingen tussen de gevel en het dak, c.q. de begane grondvloer gewoon dicht is. Voor die (en alle andere aansluitingen) kunnen de voor “naden” aangegeven grenswaarden worden gehanteerd. Voor open delen in daken (daklichten, glazen overkapping van ruimten) kunnen dezelfde eisen worden gehanteerd als voor de gevel worden toegepast.

Prestatieniveaus:

In Tabel 21 worden de waarden gegeven voor de toetsingsdrukken. Tot aan versie 2.23 van dit Handboek werden de toetsingsrukken gebruikt uit NEN 3661 van 1988. Er zijn geen nieuwere toetsingsdrukken die speciaal voor het beoordelen van luchtdoorlatendheid zijn afgeleid beschikbaar.

In de praktijk (adviesbureaus, VMRG, enz.) worden inmiddels de toetsingsdrukken gebruikt zoals die zijn gegeven in NEN 2778. Deze norm (Vochtwering in gebouwen) gaat o.a. over “Waterdichtheid van gevels”. Hoewel de daarvoor opgenomen toetsingsdrukken natuurlijk primair voor beoordeling van de waterdichtheid zijn afgeleid, wordt ervan uitgegaan dat ze ook een goede basis vormen voor het beoordelen van de luchtdoorlatendheid van de gebouwschil.

Een dermate fijne verdeling als in NEN 2778 wordt gegeven is voor het beoordelen van de luchtdoorlatendheid minder relevant. Daarom zijn in de tabel lijnen aangegeven waarboven een vaste toetsingsdruk geldt. Voor alle situaties boven de eerste lijn geldt een toetsingsdruk van 150 Pa, boven de tweede 300 Pa en zo verder. Daarmee ontstaat een serie toetsingsdrukken die goed aansluit bij de productnormen voor Ramen en deuren, respectievelijk vliesgevels. Zie verderop (1.1.3).

In NEN 2778 worden, conform NEN-EN 1991-1-4+A1+C2:2011/NB:2011, de voor Nederland aan te houden windsnelheidsgebieden gegeven zoals hier gegeven inFiguur 9

gebied I: Markermeer, IJsselmeer, Waddenzee, Waddeneilanden en de provincie Noord-Holland ten

noorden van de gemeenten Heemskerk, Uitgeest, Wormerland, Purmerend en Edam-Volendam;

gebied II: het resterende deel van de provincie Noord-Holland, het vasteland van de provincies Groningen en Friesland en de provincies Flevoland, Zuid-Holland en Zeeland;

gebied III: het resterende deel van Nederland.

Afbeeldingsresultaat voor Toetsingsdruk

Tabel 21: Toetsingsdrukken voor de luchtdoorlatendheid, afkomstig uit NEN 2778: 2015, met de klasse-indeling van dit Handboek met waarden van 150, 300, 450, 600 en >600 Pa, overeenstemmend met de klasse-indeling van de Europese productnormen.

???

Figuur 9 : Indeling van Nederland in windgebieden conform NEN-EN 1991-1-4+A1+C2:2011/NB:2011

Ter plaatse van de grenzen van de windgebieden moet een continue overgang worden aangenomen

overeenkomend met de volgende interpolatieregels:

- van een punt in gebied I, 5 km vanaf de grenslijn met gebied II naar de grenslijn zelf;

- van een punt in gebied II, 5 km vanaf de grenslijn met gebied III naar de grenslijn zelf.

Dus vanuit het gebied met de lagere waarde, vanaf 5 km voor de grenslijn over 5 km oplopend naar de hogere waarde van het aangrenzende gebied.

Locaties met terreincategorie “kust” voldoen naar figuur NB.4 uit NEN-EN 1991-1-4+A1+C2:2011/NB:2011 aan alle drie de voorwaarden uit de volgende omschrijving:

Voor tenminste de helft van de windrichtingen in de desbetreffende sector geldt dat de afstand van het bouwwerk tot open water, met een strijkIengte van ten minste 2 km, minder is dan tienmaal de bouwwerkhoogte. (Strijklengte is de ononderbroken afstand waarover de wind over het water kan waaien.)

Het bouwwerk heeft een hoogte die ten minste tweemaal de gemiddelde hoogte is van de gebouwen en andere obstakels die zich in de desbetreffende sector tussen het bouwwerk en het open water bevinden.

Het bouwwerk is niet gelegen in windgebied III.

Terreincategorie “kust” komt met name voor bij de Noordzeekust, aan de Waddenzee, het IJsselmeer en de Zeeuwse meren.

In Tabel 22 worden de eisen gegeven die aan de luchtdoorlatendheid bij de gegeven toetsingsdruk (tabel 21).

Geveldeel

Kwaliteitsniveaus

Basis

Goed

Uitstekend

Eenheid

De gevel als geheel

Met te openen ramen1)

1,80

1,25

0,75

dm3/s∙m2 geveloppervlakte(2)

Zonder te openen ramen (vliesgevels)

0,50

0,40

0,30

dm3/s∙m2 geveloppervlakte (2)

Kieren bij bewegende delen3)

Kierlengte lk ≤ 0,6 m/m2

2,5

1,75

1,00

dm3/s∙m kierlengte

Kierlengte lk > 0,6 m/m2

(0,6/lk)*2,5

(0,6/lk)*1,75

(0,6/lk)*1,00

dm3/s∙m kierlengte

Naden en geconcentreerde lekken

Naden in en tussen gevelelementen en bij bouwkundige aansluitingen 4)

0,14

0,11

0,085

dm3/s∙m naadlengte

Plaatselijk geconcentreerde lekken

0,50

0,40

0,30

dm3/s per 100 mm

Ventilatieroosters

Ventilatieroosters in gesloten toestand5)

1,2.qv

0,8.qv

0,5.qv

dm3/s.m1

Tabel 22: Kwaliteitsniveaus maximaal toelaatbare luchtdoorlaat bij de toetsingsdruk (tabel 21).

1) Om te voorkomen dat een groot gesloten gevelvlak met daarin 1 klein te openen raam onder deze minder zware eis voor de hele gevel valt, wordt aanbevolen om de te openen delen zelf aan de minder zware eis en de gevel minus de oppervlakte van te openen delen aan de zwaardere eis te toetsen.

2) De oppervlakte van de gevel wordt bepaald t.o.v. het buitenoppervlak. De vereiste maximaal doorgelaten hoeveelheid is inclusief het verlies door kieren en naden en exclusief het verlies door roosters.

3) Maatgevend voor de luchtdoorlatendheidseis die aan kieren wordt gesteld is de totale lengte aan kieren gemiddeld over het bijbehorende buitenoppervlak van een representatief gevelgedeelte (per vertrek, per travee of per bouwlaag).

4) De luchtdoorlaat per m2 blijft maatgevend. De waarde voor de luchtdoorlaat van de naden is normaal gesproken voldoende zoals aangegeven, alleen bij zeer veel naadlengte per m2 in de gevel op zich gevel zal deze waarde niet streng genoeg zijn.

5) qv is de luchtdoorlaat van het rooster (ventilatie) uitgedrukt in dm3/s.m1 roosterlengte bij een drukverschil van 1 Pa volgens NEN 1087:2001. In plaats van de hier aangegeven luchtdoorlaat kan ook de ventilatiehoeveelheid waarvoor het rooster is ontworpen worden aangehouden.

Bepalingsmethode:

NEN 3660:1988 “Gevelvullingen - Luchtdoorlatendheid, stijfheid en sterkte – Beproevingsmethoden”

NEN 2686:1988/A2:2008: “Luchtdoorlatend van gebouwen - meetmethode”

NEN EN ISO 9972: 2015: “Thermische eigenschappen van gebouwen - Bepaling van de luchtdoorlatendheid van gebouwen - Overdrukmethode

De laatste twee normen beschrijven de meetmethode voor het bepalen van de luchtdoorlatendheid van de gebouwschil als geheel (opblaasproef). Voor het bepalen van de luchtdoorlatendheid van een representatief deel van de gevel van een groter gebouw, kan achter dat geveldeel een schot worden geplaatst dat goed wordt afgedicht tegen de omringende constructie, zodat alleen dat gedeelte van de gevel wordt beproefd.

Aanvulling(en):

Aanwijzingen voor “Luchtdicht Bouwen”worden o.a. gegeven in SBR publicatie 360.13 (2013) “Luchtdicht bouwen, theorie - ontwerp - praktijk” ISBN 978.905.367.5007.

Waarborging luchtdichtheid gebouwschil: Geadviseerd wordt om tijdens de uitvoering en in de opleveringsfase metingen zoals hierboven beschreven uit te voeren op een representatief geveldeel, inclusief de aansluiting op andere bouwcomponenten.

Eisen voor ramen, deuren, vliesgevels en andere gesloten gevels

De Europese normen NEN-EN 12207:2016 (ramen en deuren) en NEN-EN 12152:2002 (vliesgevels) geven een classificatie t.a.v. luchtdoorlatendheid voor productkeuze.

De beproevingsmethode voor ramen en deuren is vastgelegd in NEN-EN 1026:2016, die voor vliesgevels in NEN-EN 12153:2000.

NEN-EN 12207:2016 gaat uitsluitend over ramen en deuren. Niet over de gevel als geheel. NEN-EN 12152:2002 gaat over vliesgevels. Beide normen bieden daarmee een basis om producten die gebruikt worden om een gevel als geheel samen te stellen te classificeren en daar kwaliteits-verklaringen aan te verbinden.

Naast vliesgevels zijn er uiteraard ook nog andere typen geheel gesloten gevels: elementengevels, gevels met kozijnen zonder te openen delen, vaste geveldelen met naden, zoals bij houtskeletbouw. Aanbevolen wordt om hiervoor ook de eisen voor vliesgevels te hanteren.

Prestatieniveaus:

De luchtdoorlatendheidsklassen zijn uitgedrukt via een relatie tussen toetsingsdruk en doorgelaten luchthoeveelheid.

Gevels met te openen ramen

De eisen voor de luchtdoorlatendheid zoals die zijn gegeven in 1.1.2 (Tabel 22) gelden voor de gevel als geheel. Welke klasse ramen en deuren conform NEN-EN 12207 nodig is om aan deze overall eis te voldoen hangt af van het percentage ramen en deuren t.o.v. de totale geveloppervlakte, te beschouwen per vertrek of ruimte.

Alleen in bijzondere gevallen, zoals bij schuifpuien, bestaat de gevel voor 100% uit ramen en deuren.

In Figuur 10, de klasse indeling van NEN-EN 12207, zijn de toetsingsdrukken en de toegelaten luchtdoorlaat uit 1.1.2 voor de gevel als geheel ingetekend.

???

Figuur 10: Kwaliteitsklassen voor ramen en deuren conform NEN-EN 12207 met ingetekend de kwaliteitsniveaus voor de “gevel met te openen ramen” als geheel.

Voor een gevel die voor 100% uit ramen en deuren bestaat blijkt alleen de hoogste klasse van NEN-EN 12207 (class 4) conform de eisen van 1.1.2 (Tabel 1) te voldoen voor een deel van de eisen.

150 Pa -> Class 4 voldoet voor de kwaliteitsniveaus basis en goed (x)

300 Pa -> Class 4 voldoet voor de kwaliteitsniveaus basis (x)

450 en 600 Pa -> geen van de klassen voldoet ()

Voor de kwaliteitsniveaus goed en uitstekend voor 300 Pa en alle kwaliteitsniveaus van 450 Pa en hoger kan niet worden volstaan met het aangeven van een gewenste klasse volgens NEN-EN 12207.

Indien men voor die situaties eisen wil stellen aan ramen en deuren zullen aan de fabrikant of leverancier afzonderlijke eisen moeten worden gesteld, waarbij de gewenste luchtdoorlatendheid in de vorm van een maximaal doorgelaten luchthoeveelheid bij een opgegeven drukverschil wordt aangegeven.

Omdat een gevel zelden voor 100% uit te openen delen (ramen of deuren) bestaat en de luchtdoorlatendheidseis geldt voor de gevel als geheel, ligt de situatie in de praktijk vaak wat anders.

Voor een gevel die bijvoorbeeld voor 50% uit ramen en deuren bestaat en verder geheel dicht is, mogen de ramen en deuren tweemaal zoveel lucht doorlaten, terwijl dan nog steeds aan de overall eisen van 1.1.2. (tabel 2) wordt voldaan (zie Figuur 11).

???

Figuur 11: Kwaliteitsklassen voor ramen en deuren conform NEN-EN 12207 met ingetekend de vereiste kwaliteitsniveaus voor een “gevel die maar voor 50% uit ramen en deuren bestaat en voor de andere 50% dicht is”. De aangegeven volumestroom betreft uitsluitend de ramen en deuren. Voor de gevel als geheel blijven de waarden van tabel 2 gelden.

Daaruit volgen de benodigde klassen voor de ramen en deuren conform NEN-EN 12207.

150 Pa -> Class 3 voor basis (o) en Class 4 voor uitstekend (x)

300 en 450 Pa -> Class 4 voor basis en goed (x)

600 Pa -> Class 4 voor basis (x).

Voor het kwaliteitsniveau uitstekend bij 300 en 450 Pa en voor de niveaus goed en uitstekend bij 600 Pa toetsingsdruk () is Class 4 niet voldoende en moeten afzonderlijke eisen worden gesteld.

De juiste toe te passen klasse (NEN-EN 12207) voor ramen en deuren moet worden bepaald op basis van de voor het betreffende project geldende verhouding “ramen en deuren vs dicht”. In veel gevallen zal de hier getoonde grafiek voor 50% open en 50% dicht al voldoende informatie geven.

N.B.

Voor kieren, naden en geconcentreerde lekken blijven de eisen van 1.12 (Tabel 22) gewoon gelden. De overall eis betreft vooral het beperken van energieverlies en daarbij mag met het percentage ramen en deuren worden gerekend.

In het algemeen zal aan de eisen van 1.1.2 (Tabel 22) van dit Handboek voor de kieren afzonderlijk vanzelf worden voldaan bij het toepassen van de bovengenoemde klassen.

Als voorbeeld: de maximaal toegestane doorlaat van kieren in puien van klasse 4 bedraagt bij de toetsingsdruk van 150 Pa ca. 1 m3/h.m ofwel ca. 0,28 dm3/s.m. Daarmee voldoen de kieren aan de eis voor het basisniveau tot aan een kierlengte van 5,4 m per m2 gevel aan de waarde van tabel 2 (2,5 dm3/s.m) en voor uitstekend tot aan 2,15 m/m2. Dat betekent dat in de praktijk de kieren op zich vrijwel nooit maatgevend zullen zijn en dat alleen naar de doorlaat per m2 behoeft te worden gekeken bij het kiezen van een bepaalde klasse uit de productnorm NEN-EN 12207, zoals ook is gedaan in Figuur 10. Alleen bij zeer grote kierlengten per m2 gevel moet men de luchtdoorlatendheid van de kieren op zich afzonderlijk beschouwen.

De afzonderlijke eis voor geconcentreerde lekken betreft met name behaaglijkheid (voorkomen van tocht). Daar heeft het aandeel van de ramen en deuren in de geveloppervlakte niets mee te maken.

Gevels zonder te openen ramen (vliesgevels en andere geheel gesloten gevels).

???

Figuur 12: Kwaliteitsklassen voor ramen en deuren conform NEN-EN 12152 met ingetekend de kwaliteitsniveaus voor de “gevel zonder te openen ramen” (vliesgevel) als geheel. Ook aanbevolen als kwaliteitsaanduiding voor andere geheel gesloten gevels.

Voor gevels zonder te openen ramen (vliesgevels) moeten de volgende kwaliteitsklassen conform NEN-EN 12152 worden gekozen:

150 Pa -> Class A1 voor basis en A2 voor goed en uitstekend

300 Pa -> Class A2 voor basis, Class A3 voor goed en Class A4 voor uitstekend

450 Pa -> Class A3 voor basis, Class A4 voor goed.

600 Pa -> Class A4 voor basis

Voor uitstekend bij 450 Pa en voor goed en uitstekend bij 600 Pa zullen afzonderlijke eisen moeten worden gesteld zoals ook hiervoor beschreven bij “Gevels met te openen ramen”.

Omdat er heel veel gevels geleverd kunnen worden die aan Class A3 of beter voldoen wordt aanbevolen om ook voor de lagere toetsingsdrukken uit te gaan van minimaal Class A3.

Hierbij wordt nog aangetekend dat de luchtdoorlatendheid per geveloppervlakte (linker as in tabel 2) maatgevend is. De luchtdoorlatendheid van de naden dient zodanig te zijn dat aan de eis per m2 wordt voldaan.

Te openen delen in vliesgevels worden beoordeeld conform NEN-EN 12207.

Geluidswering

De geluidswering van de gevel moet waarborgen dat geluid van buiten niet tot hinder voor de gebouwgebruikers zal leiden.

Geluiden van buiten kunnen binnen als storend worden ervaren. Met name geldt dit wanneer de bron van het geluid vanaf de werkplek niet visueel waarneembaar is. Om hinder te voorkomen dient de gevel voldoende geluid te weren.

Vanuit het Bouwbesluit worden er alleen eisen gesteld aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van:

Woningen.

Kinderdagverblijven.

Scholen.

Bedgebieden in kinderopvang en gezondheidszorg.

Vanuit het Bouwbesluit wordt er een onderscheid naar geluidsbron gemaakt. De bronnen industrielawaai, weglawaai, spoorweglawaai en luchtvaartlawaai worden onderscheiden. Andere bronnen, zoals bijvoorbeeld scheepvaart, laad en losplaatsen of schoolpleinen blijven buiten beschouwing. Voor een goed binnenklimaat is het van belang alle mogelijke geluidsbronnen mee te nemen in de bepaling van de geluidswering. De benodigde geluidwering van de gevel wordt bepaald door de geluidbelasting buiten en het gewenste geluidniveau binnen (zie ook 7.5.1). De geluidwering moet altijd minimaal 20 dB(A) bedragen.

Prestatieniveaus:

Kwaliteitsniveau

Basis

Goed

Uitstekend

Karakteristieke geluidswering uitwendige scheidingsconstructie

Geluidsbelasting - 40 dB

Geluidsbelasting - 35 dB

Geluidsbelasting - 30 dB

Tabel 23 : Criteria voor de karakteristieke geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructie.

Aanvullingen:

De geluidswering dient gebaseerd te zijn op de daadwerkelijk optredende geluidsbelastingen.

Bepalingsmethode:

NEN 5077: “Geluidwering in gebouwen”.

Brandwerendheid

In geval van brand moet veilig gevlucht kunnen worden en de omvang van de brand moet beperkt worden om verdere schade aan de omgeving en het milieu te minimaliseren.

Over het algemeen is de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen compartimenten 30 of 60 minuten. De verschillende brandoverslagtrajecten worden berekend en er wordt nagegaan of brandwerende voorzieningen (zoals brandwerend glas) moeten worden getroffen. Het betreft bijvoorbeeld een uitslaande brand op een bepaalde verdieping en de afstand tot een hoger gelegen raam. Aan de gevel en het dak worden eisen gesteld t.a.v. de brandwerendheid. Indien een gebouw verdeeld is in brandcompartimenten dan kunnen de gevel en het dak een rol spelen om de benodigde brandscheiding te realiseren. Ook de opbouw van de gevelconstructie zelf (ter plaatse van de compartimentscheidende vloer) is daarbij van belang. Verder kunnen er risicovolle brandoverslagtrajecten zijn naar omringende gebouwen, die maatregelen vereisen. In dat geval vragen raamopeningen aandacht in het ontwerp.

Naast brandoverslag dienen de gevel- en dakdetails ook geanalyseerd te worden op branddoorslagtrajecten. De details worden dan voorzien van brandwerende materialen om dit tegen te gaan. Vaak is deze eis gecombineerd met de vereiste akoestische ontkoppelingen en dienen deze materialen ook een bepaalde akoestische kwaliteit te bezitten. In het Bouwbesluit zijn eisen opgenomen waaraan de materialen aan het oppervlak va de gebouwschil moeten voldoen met betrekking tot ‘vliegvuur’ en de bijdrage tot de brandvoortplanting.

Tenslotte bestaat de mogelijkheid dat de gevel en het dak onderdeel zijn van de hoofddraagconstructie (hiervoor zijn eisen opgenomen van 30, 60, 90 of 120 minuten brandwerendheid, zie Bouwbesluit). Ook dan moeten er maatregelen worden getroffen om het bezwijken van de constructie ten gevolge van brand tegen te gaan door deze constructie afdoende te beschermen. Er moet rekening mee gehouden worden dat een instortende constructie een andere hoofddraagconstructie ‘mee kan slepen’.

Soms vormt een te goede brandweerstand een bezwaar, bijvoorbeeld als een glazen vliesgevel voor een gebouw is ontworpen. De constructieve eisen zorgen voor dik en gelaagd glas. Indien dit niet snel genoeg bezwijkt bij brand gaat de spouw fungeren als brand- en rookkanaal.

Prestatieniveaus:

WBDBO: 30 (vluchtweg) of 60 minuten (brandcompartimenten).

Bepalingsmethode:

NEN 6068: “Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten”

Definities

Brandwerendheid: Tijd die een constructie nodig heeft om een brand tegen te houden.

f-factor: factor die wordt berekend bij toepassing van de ter plaatse voorgeschreven waarde van de overgangsweerstand Ri, met behulp van de formule: fri = (θs;i - θe)/(θi – θe).

Inwendige condensatie: wanneer warme lucht, die relatief veel waterdamp bevat, in een constructie afkoelt, zal waterdamp op zeker moment condenseren. Dit kan ontstaan door dampdiffusie of convectie.

Thermische brug (koudebrug): een gedeelte in een geïsoleerde constructie waar een grotere warmtetransmissie plaatsvindt dan in de rest van de constructie.

Oppervlaktecondensatie: wanneer warme lucht, die relatief veel waterdamp bevat, in contact komt met een oppervlak met een lagere temperatuur, zal de waterdamp op dit koude oppervlak condenseren.

Relevante normen en documenten

NEN 1068: (2012) "Thermische isolatie van gebouwen – Rekenmethode".

NEN 2686: (1988/A2:2008) “Luchtdoorlatendheid van gebouwen – Meetmethode”.

NEN 2778: (1991/A4:2011) “Vochtwering in gebouwen – Bepalingsmethoden”.

NEN 6068: (2008/C1:2011) “ Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten”.

NEN-EN 13187: (1998) "Thermische eigenschappen van gebouwen – Kwalitatieve detectie van thermische onregelmatigheden in de gebouwschil – Infraroodmethode”.

NPR 2652: (2008) “Vochtwering in gebouwen - Wering van vocht van buiten en wering van vocht van binnen - Voorbeelden van bouwkundige details”.

SBR-praktijkboek Bouwfysica. SBR-publicatie Luchtdicht Bouwen.

SBR-referentiedetails.

versie
2.30

uitgave
juni 2018

gerelateerd