Handboek bouwfysische kwaliteit gebouwen

Bouwprocesmanagement

Het Handboek bouwfysische kwaliteit is een belangrijk onderdeel voor het totale programma van eisen (PvE) en bedoeld om de verwachtingen van opdrachtgever, beheerder en gebruiker vast te leggen.

Het managen van een ontwerp- en uitvoeringsproces van een bouwwerk van enige omvang is zeer complex. Ondanks goede bedoelingen worden de impliciete en expliciete verwachtingen vaak niet volledig waargemaakt. De belangrijkste teleurstellingen zijn:

Kostenoverschrijdingen in het ontwerp- en uitvoeringstraject,

Energielasten en onderhoudskosten blijken tijdens de exploitatie tegen te vallen,

Gebruikers zijn ontevreden over het binnenklimaat.

Vooral dit laatste aspect wordt onderschat. De relatie tussen binnenmilieu en arbeidsproductiviteit wordt vaak wel vermoed, maar er wordt niet altijd naar gehandeld. De arbeidsproductiviteit neemt tussen ca. 6 en 14 % toe als het binnenmilieu zorgvuldig wordt ontworpen en gerealiseerd. De extra investeringen die deze kwaliteitsslag vraagt worden ruimschoots goedgemaakt door deze hogere productiviteit (en tevredenheid) van de medewerkers. Het vroegtijdig inschakelen van een bouwfysisch ingenieur verdient zich terug.

Het Handboek bouwfysische kwaliteit gebouwen is een belangrijk onderdeel voor het totale programma van eisen en bedoeld om de verwachtingen van opdrachtgever, beheerder en gebruiker waar te maken. De auteurs van dit handboek hebben gemeend een kader te schetsen waarbinnen dit handboek optimaal kan functioneren. In dit handboek zijn bij een aantal onderwerpen diverse kwaliteitscriteria geformuleerd. Opgemerkt dient te dat een gebouw niet op alle aspecten in de klasse “uitstekend” hoeft te vallen om toch een hoogwaardig bouwfysisch binnenklimaat te realiseren.

Achtereenvolgens komen in dit hoofdstuk de volgende onderwerpen aan bod:

de doelstellingen van een totaal PvE.

de noodzaak van zorgvuldige communicatie.

het belang van risicomanagement.

Aanvulling(en):

Opmerking: Er zijn diverse onderzoeken verricht naar de verbetering van de productiviteit door een goed binnenklimaat.

Binnenmilieuaspect(1)

Greencalc

Senter-

novem

TNO

Boerstra

TVVL

Adequate daglichttoetreding en verlichting

0,5 – 2%

7,0%

-

2-3%

-

Laag emissie interieurmateriaal

0,5 – 1%

2,5%

-

1-7%

-

Te openen ramen

0 – 0,5%

2,0%

-

-

-

Cellenkantoren in plaats van groepskantoren

0,7%

5,0%

2-4 %

2-4%

-

Combinatiekantoor in plaats van cellenkantoor

-

-

-

-

-

Individuele beïnvloeding installaties

1-2,5%

4,0%

2-3%

3-9%

2-3%

Voorkomen van geluidhinder

2,5%

2,5%

-

3-9%

4-4,5%

Juiste operatieve temperatuur

0,5-1,5%

-

-

3-7%

7%

Voldoende verse luchttoevoer

0,5 -1,5%

1,5%

-

1-2%

1-2%

Vermijden (onzorgvuldige toepassing) warmtewielen 1)

0,2%

2,5%

3-7%

-

-

Verontreinigende apparatuur in aparte ruimte

0-1%

4,5%

3-7%

-

-

Vermijden van recirculatie

0-0,5%

2,5%

3-7%

-

-

Adequaat onderhoud ventilatiesysteem en LBK's

0-0,5%

3,0%

-

-

-

Tabel 1: Een literatuurvergelijking van verbetering van de productiviteit door diverse maatregelen.

Bron: Productiviteit in Rijkskantoren. Een onderzoek naar de optimalisatie van de productiviteit en duurzaamheid van rijkskantoren, 2011. Uitgevoerd in opdracht van de Rijksgebouwendienst Den Haag.

(1) Er zijn reacties gekomen over de negatieve beoordeling in de tabel van warmtewielen. Het handboek is niet de bron voor deze getallen, maar heeft slechts waarden overgenomen uit de literatuur. De sectie klimaattechniek van het Rijksvastgoedbedrijf geeft de volgende nuancering:

Bij Klimaattechniek passen wij al jaren warmtewielen toe vanwege de voordelen t.o.v. andere warmteterugwinsystemen. Daarbij hebben we wel altijd geëist dat warmtewielen op de juiste wijze werden toegepast. Dat betekent dat afvoer- en toevoerventilatoren aan de juiste kant zitten, dat er een spoelsectie in het warmtewiel zit en dat de drukverhoudingen zodanig zijn dat er nooit lekkage naar binnen ontstaat, zodat ook geringe recirculatie is uitgesloten. Bij het feit dat warmtewielen gelijk worden gewaardeerd als recirculatie zetten wij dan ook grote vraagtekens.

Waarom een Programma van Eisen?

Het Programma van Eisen (PvE) is het vastleggen van het denkwerk vooraf en is bedoeld als sturingsinstrument van het ontwerp- en uitvoeringsproces. De verwachtingen van opdrachtgever, beheerder en gebruiker zijn daarin vastgelegd.

In verschillende spreekwoorden en gezegden wordt het belang van ‘eerst nadenken en dan doen’ benadrukt.

In een PvE worden resultaten uit de initiatieffase vastgelegd. Deze fase start meestal met de behoeften en ambities van de opdrachtgever. Soms is een analyse van de visie, missie en het bedrijfsproces van een opdrachtgever daarbij een handig hulpmiddel. In de initiatieffase worden de wensen en ambities van de opdrachtgever onderzocht in haalbaarheidsstudies. De technische, organisatorische en vooral financiële haalbaarheid zijn daarbij van wezenlijk belang. Het PvE legt de resultaten en keuzes uit de initiatieffase vast en is bedoeld als sturingsinstrument van het ontwerp- en uitvoeringsproces. De Stichting Bouwresearch (SBR) heeft diverse publicaties uitgebracht over dit onderwerp. Uit deze publicaties zijn de belangrijkste aanbevelingen overgenomen. Het PvE dient voorafgaand aan het ontwerpproces te worden opgesteld (Figuur 1).

Illustratie_01

Figuur 1: Fasen in het bouwproces.

Illustratie_03

Figuur 2 : PvE voor het gehele gebouw is basis voor een goed ontwerp.

Het PvE dient per fase van het ontwerpproces te worden aangevuld, er wordt dus gewerkt van grof naar fijn (zie Figuur 2). Per fase wordt getoetst of het ontwerp nog steeds voldoet aan dit PvE.

Uiteindelijk is het PvE de basis voor zorgvuldig uitgewerkte tekeningen en een compleet bestek als onderdeel van het bouwcontract. Ook dient het ‘grove’ PvE als startdocument voor de adviseurs (architect, constructeur, bouwfysicus, installatieadviseur).

De afgelopen jaren zijn er veel ontwikkelingen geweest rond het formuleren van een PvE. Er wordt gewerkt met verschillende contract- en werkvormen (zoals bouwteams, publiek-private samenwerking, e.d.) en met variërende scope (Design & Build, DBFMO, Esco, e.d.). Het doel hierbij is de verantwoordelijkheid voor een goede huisvestingskwaliteit zoveel mogelijk bij één partij te leggen. Deze partij krijgt bij voorkeur maximale vrijheid om een -voor deze uitvoerder- optimaal proces te volgen en levert daarvoor in ruil eindprestaties die maximaal tegemoetkomen aan de behoefte van de opdrachtgever.

Het PvE voor een volledig bouwproject bevat ten minste de volgende onderwerpen:

Functionaliteit.

Beeldverwachting.

Budget.

Constructief.

Bouwfysica.

Bouwtechniek en bouwproces.

Beheer en onderhoud.

Bouwregelgeving.

Duurzaam bouwen

Uitwerking van de begrippen waarvoor ten minste een prestatieniveau dient te worden vastgelegd:

Functionaliteit: Wat wil de opdrachtgever met het gebouw? In eerste instantie de benodigde vierkante meters, hoogten en de functies. Daarnaast spelen vragen als: Hoe flexibel moet een gebouw zijn, moeten functiewijzigingen mogelijk zijn, moet het in onderdelen te verhuren/exploiteren zijn.

Beeldverwachting: Wat dient de esthetische uitstraling te zijn? Dit kan zeer veel consequenties hebben. Moet het gebouw een duurzame uitstraling krijgen of juist hightech of tijdloos? Het is verstandig deze gewenste beeldverwachting te visualiseren.

Budget: Belangrijk is het beschikbare budget vast te leggen, zowel voor het voortraject als het bouw- en inrichtingsbudget.

Constructief: Ook de constructeur heeft voor een goed constructief ontwerp uitgangspunten nodig. Welke belastingen moeten de vloeren kunnen dragen, moet er vrij overspannen worden of mogen er kolommen geplaatst worden. Moet het gebouw licht ontworpen worden of demontabel? Allemaal vragen die besproken en beantwoord moeten worden.

Bouwfysica: In het bouwfysisch PvE wordt het gewenste binnenklimaat gedefinieerd. De eisen worden in controleerbare grootheden vastgelegd. Denk aan de akoestische kwaliteit, behaaglijkheid, licht, enzovoorts. In dit handboek bouwfysische kwaliteit zijn deze kwaliteiten beschreven. Behalve het binnenklimaat geeft bouwfysica de minimumkwaliteit van constructies (details) op de aspecten thermische isolatie/massa, vocht- en luchtdichtheid, licht- en zonwering en geluidwering.

Bouwtechniek en bouwproces: Het werken in een binnenstedelijk gebied vraagt andere uitgangspunten dan bouwen in een uitbreidingsgebied. De uitgangspunten dienen vastgelegd te worden.

Beheer en onderhoud: Welke eisen of wensen heeft de toekomstige gebruiker eisen of wensen met betrekking tot beheer en onderhoud. In een benadering op basis van Life Cycle Costs (LCC) kunnen deze aspecten ook financieel worden gewaardeerd.

Bouwregelgeving: Welke regelgeving is van belang voor het project. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vraagt om vergunningenmanagement om een succesvolle bouwaanvraag te realiseren.

Duurzaam bouwen: Wat zijn de ambities op het gebied van duurzaam bouwen. Wanneer de opdrachtgever een bepaald keurmerk wil realiseren, zal dat moeten passen binnen het budget.

In dit Handboek bouwfysische kwaliteit wordt brandveiligheid niet volledig behandeld. Het is natuurlijk van groot belang om in het totale PvE aanzetten op te nemen over hoe de brandveiligheid dient te worden gerealiseerd. Met name als een opdrachtgever (of verzekeraar) aanvullende eisen heeft die de wettelijke eisen te boven gaan. De wet is vooral gericht op het beperken van slachtoffers en omgevingsschade. De opdrachtgever kan in aanvullende eisen bijvoorbeeld de schade aan zijn bezit beperken of de schade van bedrijfsverstoring. Veel bedrijven komen bij een brand in financiële problemen.

Alle aandachtsgebieden dienen op elkaar te worden afgestemd (integraal ontwerpen). De betreffende onderwerpen zijn aan elkaar gerelateerd (zie Figuur 3). Een PvE moet compleet zijn ingericht, maar dat is niet het doel van het handboek, dat gaat alleen over de bouwfysische aspecten.

Figuur 3 - Bouwstenen voor een goed project

Figuur 3 : Bouwstenen voor een goed project.

Bij de totstandkoming van een doordacht PvE is het van belang dat de opdrachtgever keuzes worden voorgelegd. Niet per definitie uitgaan van het Bouwbesluitniveau, maar bereikbare extra kwaliteit bespreken. Denk bijvoorbeeld na over de gewenste geluidwering. In dit handboek bouwfysische kwaliteit zijn daarom steeds kwaliteitsklassen benoemd.

De keuze voor een hoger kwaliteitsniveau heeft veelal consequenties voor de bouwkosten. Opgemerkt wordt dat de standaard kengetallen voor de bouwkosten (en eventuele hiermee samenhangende vergoedingen) veelal zijn gebaseerd op de realisatie van het wettelijk minimum. Ook kan de keuze voor een hoger kwaliteitsniveau voor een bepaald ontwerpaspect consequenties hebben op het kwaliteitsniveau van een ander ontwerpaspect. Zo kan bijvoorbeeld het nastreven van een hoger kwaliteitsniveau op het ontwerpaspect ‘daglichttoetreding’ consequenties hebben op het kwaliteitsniveau van het aspect ‘energie’. Verder dient te worden gerealiseerd dat een keuze voor de realisatie van een hoger kwaliteitsniveau voor alle ontwerpaspecten niet per definitie behoeft te resulteren in betere integrale kwaliteit.

Het totale PvE is zoals gezegd een sturingsinstrument. Als afsluiting van elke ontwerpfase (zie Figuur 1) dient steeds weer nagegaan te worden of het PvE is gerealiseerd c.q. dat er geen belemmeringen zijn om het gewenste kwaliteitsniveau te realiseren.

Het totale PvE dient compleet te zijn ingericht (zie voorgaande opsomming voor onderwerpen die ten minste aan bod dienen te komen). Betrek de opdrachtgever daarbij door deze bewust te laten kiezen voor kwaliteitsniveaus. Dan is er sprake van betrokkenheid! In dit handboek bouwfysische kwaliteit zijn steeds realistische kwaliteitsniveaus gepresenteerd. Bij elk kwaliteitsniveau horen kosten, deze blijven echter beperkt wanneer vanaf de allereerste fase (dus vastgelegd in het PvE) duidelijk is wat de opdrachtgever verwacht. Definieer daarom de eisen SMART (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden). Vooral duurzaamheid eisen (bijvoorbeeld een gewenste BREEAM-classificatie) dienen zorgvuldig geformuleerd te worden om teleurstellingen te voorkomen.

Per fase dient door de bouwprocesmanager een beslisdocument aan de opdrachtgever te worden voorgelegd. Het beslisdocument geeft aan of alle onderdelen van het PvE ook daadwerkelijk (integraal) zijn gerealiseerd. De opdrachtgever kan dan zien of aan de verwachtingen wordt voldaan en of de werkzaamheden binnen het budget passen. In het beslisdocument worden daarnaast de risico’s genoemd en de bijbehorende beheersmaatregelen. Per fase dient getoetst te worden of er aan de bouwregelgeving wordt voldaan. Door deze aanpak worden ‘bezuinigingsronden’ voorkomen. ‘Bezuinigingsronden’ zijn nooit voorzien tijdens de offertefase en worden daarom ook niet meegenomen in de budgetten voor adviseurs. In één keer goed ontwerpen leidt tot een optimaal eindresultaat.

Concepten als bouwstenen

Brandveiligheid en installaties hebben een relatie met veel andere eisen. Reden om de eisen ten aanzien van brandveiligheid en installaties te bundelen tot concepten.

Het totale PvE is de basis voor het opstellen van het brandveiligheidsconcept, het energieconcept en het uitvoeringsconcept (en zo nodig andere concepten, zoals beveiliging ‘het nieuwe werken’, e.d.).. Het opstellen van deze concepten vindt plaats tijdens het creatieve proces (zie Figuur 4). Het creatieve proces is een proces waarbij de adviseurs nauw samenwerken om tot een optimaal resultaat te komen. Dit vraagt om ‘ontwerpende’, dus creatieve ingenieurs die zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen voor het eindresultaat.

Illustratie_02

Figuur 4 : Een PvE is noodzakelijk voor een goed proces dat deel uitmaakt van het totale creatieve proces, waarbinnen tevens functionele, logistieke en andere processen spelen.

Hieronder worden de in Figuur 4 genoemde concepten verduidelijkt:

Brandveiligheidsconcept: Vanaf het allereerste begin dient nagedacht te worden compartimentering, signalering en vluchtroutes. Betrek een specialist Fire Safety Engineering in het ontwerpteam.

Energieconcept: Op basis van het PvE dienen door de bouwfysisch adviseur energieconcepten te worden opgesteld. Het moet duidelijk zijn voor de opdrachtgever wat de voor- en nadelen van elk concept zijn. Op basis van een multicriteria-analyse (MCA) kan dan een bewuste keuze worden gemaakt. De opsteller van de energieconcepten dient zoveel praktische kennis te bezitten dat het gekozen energieconcept ook daadwerkelijk door de installatieadviseur uitgewerkt kan worden in een aantal installatieconcepten. Ook de installatieadviseur dient de opdrachtgever concepten met voor- en nadelen voor te leggen, zodat opnieuw bewust gekozen kan worden.

Uitvoeringsconcept: Het ontwerpteam (minimaal een architect, constructeur, bouwfysicus en brandveiligheidsspecialist) dient zich vanaf het allereerste begin bewust te zijn van de ‘maakbaarheid’ van het ontwerp. Optimaliseren van het bouwproces levert namelijk een goede prijs-kwaliteitverhouding op en beperkt het risico op latere aanpassingen van het ontwerp door budgetoverschrijdingen. Het is verstandig tenminste tijdens de besteksfase de geselecteerde bouwer in het bouwteam op te nemen.

Communicatie

Goed communiceren is een noodzakelijke kwaliteit voor iedere deelnemer.

Maak voorafgaand aan de start van een ontwerp- en uitvoeringsproces een zogenaamd procesontwerp. Ga na wie de actoren zijn in het proces en definieer de verschillende taken en verantwoordelijkheden per fase. Leg vast wie geïnformeerd moet worden. Vraag gedetailleerd offerte aan bij de beoogde ontwerpteamleden; omschrijf de werkzaamheden en de verwachte kwaliteit, daarmee worden misverstanden (en teleurstellingen) bij alle partijen voorkomen. Vergeet ook de belanghebbenden niet die wat verder van het proces af staan. Bijvoorbeeld omwonenden, gebruikers, pers, politiek, plaatselijke overheden, enzovoorts. Breng deze zorgvuldig in kaart en denk na over het informatietraject.

Figuur 5 - communicatie

Figuur 5 : Goed communiceren is een noodzakelijke kwaliteit (bron: SBR).

Leg de afspraken zorgvuldig vast, bijvoorbeeld met behulp van een Bouw Informatie Model.

Aanvulling(en):

Voor het ontwerp- en later het uitvoeringsteam is het van belang dat er een professionele en inhoudelijke bouwprocesmanager wordt aangesteld. De bouwprocesmanager dient ervoor te zorgen dat in het ontwerptraject alle partijen evenwichtig en op het juiste moment aan bod komen. De bouwprocesmanager legt alle afspraken transparant vast, bijvoorbeeld met behulp van een Bouw Informatie Model (BIM). Ook de bouwer stelt zodra hij geselecteerd is een bouwprocesmanager aan die nauw samenwerkt met de bouwprocesmanager van het ontwerpteam. Samen zorgen zij ervoor dat de ontwerpfase naadloos overgaat in de uitvoeringsfase. Een goede ‘kick-off’-bijeenkomst wordt steeds gebruikelijker en zorgt voor wederzijds begrip, inspiratie en enthousiasme.

Risicomanagement

Elke fase dient te worden afgesloten met een zogenaamd beslisdocument, daardoor wordt voor het gehele team duidelijk wat de voortgang is en welke risico’s nog dienen te worden weggewerkt.

In dit document staat vermeld dat de bij de betreffende fase behorende activiteiten zijn afgerond, welke risico’s worden gesignaleerd en welke ‘beheersmaatregelen’ genomen moeten worden om dit risico te neutraliseren, zie Figuur 6.

Figuur 6 - Risicomanagement

Figuur 6 : Risicomanagementcyclus (bron: Risicomanagement voor projecten).

De (bouw)procesmanager zorgt ervoor dat alle documenten aanwezig zijn en dat elke fase afgesloten wordt met een risicoanalyse en een beslisdocument.

De praktijk

“Bezint eer ge begint” zorg voor een helder programma van eisen en werk met professionals met verstand van het totale ontwerp en bouwproces.

Adviseurs worden vaak voor het eerst geconsulteerd wanneer er problemen zijn of wanneer voor het verkrijgen van een (WABO-)vergunning bepaalde berekeningen en onderbouwingen nodig zijn. Elk bouwfysisch of bouwtechnisch bureau heeft een boeiende en vaak bloeiende praktijk van klachtenonderzoeken. Klachten die voorkomen hadden kunnen worden wanneer de adviseur op tijd zou zijn ingeschakeld. Een goede (dus ook inhoudelijke) bouwprocesmanager zorgt ervoor dat bij de start van een ontwerpproces een compleet ontwerpteam aanwezig is, dat samen met de opdrachtgever een SMART gedefinieerd PvE opstelt als leidraad voor het ontwerp- en uitvoeringsproces. Vooral de R van realistisch is hierbij zeer belangrijk. De maakbaarheid verdient veel aandacht. Denk niet top - down, maar bottum - up. Begin bij de klant, denk dan aan de “man” op de steiger, beschouw vervolgens de uitvoering en werkvoorbereiding en tenslotte de aansturing van het bouwbedrijf.

In paragraaf 1.3 “Communicatie” wordt gesteld dat communicatie essentieel is voor het welslagen van een project. De praktijk leert dat dit geen gemeengoed is. Onderzoeken wijzen uit dat de stukken bij de bouwaanvraag niet goed overeenkomen met de uitvoeringsstukken en vervolgens wordt er weer anders gebouwd en geïnstalleerd. Het is dus ook niet vreemd dat het percentage ontevredenen veel hoger is dat het uitgangspunt van 10%. Ook is het energiegebruik vaak veel hoger dan berekend vanwege niet correcte berekeningen en onzorgvuldige uitvoering.

Aanvulling(en):

Een voorbeeld uit de praktijk.

Een corporatie wil een regiokantoor op hoog niveau renoveren. De corporatiedirecteur zoekt en vindt een architect met ervaring op het gebied van energiezuinig en duurzaam bouwen. Er worden enkele doelstellingen uitgewisseld (zoals energieneutraal, lowtech, transparant) en de architect gaat aan de slag. De directeur stelt een projectleider aan, die vanuit de corporatie het ontwerpproces gaat begeleiden. De architect komt met een aantrekkelijk ontwerp dat breed wordt gecommuniceerd. De projectleider herkent echter niet in het project de uitgewisselde doelstellingen en vraagt zich ook af of het ontwerp binnen het budget past. De projectleider huurt vervolgens een bouwprocesmanager die direct vraagt naar een PvE. Dat is er echter niet. De architect vindt overigens dat een PvE in dit stadium niet nodig is en dat dat opgesteld kan worden nadat het VO is afgerond. Vervolgens gaat de bouwprocesmanager -in overleg met de projectleider- na of de doelstellingen verwerkt zijn in het ontwerp. Dit blijkt niet het geval, het energie-concept is niet helder en ook het budget wordt fors overschreden. Het ontwerpteam is terug bij af en kan opnieuw beginnen. Inmiddels is er nu wel een PvE, dat als leidraad kan dienen voor het nieuwe VO. De volgende oorzaken voor dit fiasco zijn aan te wijzen:

De opdrachtgever heeft geen aandacht gegeven aan het opstellen van een PvE.

De architect en de installatieadviseur gaan zonder een PvE aan het werk en produceren een niet betaalbaar ontwerp.

Het ontwerpteam was niet compleet, zodat in het begin alleen de vormgeving aandacht krijgt.

Leerpunten:

“Bezint eer ge begint” en leg dit goed vast in een programma van eisen en werk met professionals met verstand van het totale ontwerp en bouwproces.

Zie het PvE als een ‘levend’ document dat steeds weer wordt aangepast en aangevuld. Maak de besluitvorming daarover transparant en ga steeds de consequenties na.

Door zorgvuldig met kennis van zaken en gedisciplineerd te werken, worden projecten succesvol en krijgen zowel de klant als adviseurs en bouwer wat zij verwachten en waar zij op rekenen.

Bijlage, beschrijving van taken

In Tabel 2 is de rol van de bouwfysicus in een ontwerpproces beschreven. Deze tabel is door de NVBV ontwikkeld, de DO-fase en de besteksfase zijn niet weergegeven.

Vraagstelling

Producten adviseur

Adviseursrol

Bouwfysica

Akoestiek

Brandveiligheid

Masterplan, locatiekeuze

Gebiedsontwerp

Bouwvolumes,

Hoogtelijnen,

Verdeling van functies.

Richtinggevend advies en vaststellen randvoorwaarden plan t.a.v.:

Windhinder; Bezonning, beschaduwing, lichthinder; Luchtkwaliteit omgeving; Energievraagprofiel; Geluidprofiel; Brandveiligheid;

Evt. bodemkwaliteit,, afwatering, biodiversiteit.

Advies -indien nodig- op basis van berekeningen:

Windhinderprofiel (do’s en don’ts); Bezonning gebouw en beschaduwing omgeving

Hinderrisico reflecties en lichtuitstraling; Bronsterkten en frequentieverdelingen luchtvervuilingsbronnen; Energiegebruiken per functie en gebiedsgerichte voorzieningen; Onderzoek opwekkingsmogelijkheden (ook duurzaam) en vergunningen.

Advies -indien nodig- op basis van berekeningen:

Inventarisatie geluidbronnen en vergunningen; Beoordeling gebouwvolumes en functies op basis van geluidbelasting; Inschatting geluideffect van plan op de omgeving inclusief verkeersaantrekkende werking.

Advies -indien nodig- op basis van berekeningen:

Vluchtwegen en capaciteiten op basis van te plaatsen functies; Bereikbaarheid verschillende plandelen voor hulpdiensten.

SO-FASE

Interpreteren van locatie- en terreingegevens

Analyse van de ligging

Bepalen kwaliteiten

Ontwikkelen visie

Visiedocument met daarin:

Resultaten inventariserend onderzoek.

Richtinggevende adviezen op basis van inventariserend onderzoek.

Opsomming risico’s en kansen bij de verdere planontwikkeling.

Inventariseren externe omstandigheden, geluid, zon, wind, sociale veiligheid etc.

Inventariseren interne omstandigheden, type gebruiker, mogelijke toekomstige gebruikers.

Vastleggen van uitgangspunten en aandachtspunten m.b.t. bouwfysische aspecten.

Suggesties voor inspelen met het gebouw op de externe en interne omstandigheden.

Inventariseren risico externe geluidsbelastingen.

Inventariseren risico geluidsafstraling.

Vastleggen van uitgangspunten en aandachtspunten m.b.t. akoestische aspecten.

Suggesties voor inspelen met het gebouw op de externe en interne omstandigheden.

Vastleggen van uitgangspunten en aandachtspunten m.b.t. brandveiligheid.

Maken structuurontwerp; Stedenbouwkundig-architectonisch plan; Hoofdvorm bebouwing; Hoofdindeling bebouwing; Maken beeldkwaliteitplan; Onderzoek bebouwingscapaciteit; Zonering en morfologie (1:1.000/1:500); Stedenbouwkundig vlekkenplan (1:1.000/1:500); Hoofdmassa en oriëntatie gebouw (1:500/1:200)

Vlekkenplan gebouw (1:500/1:200); Ontsluitingsprincipes gebouw; Zonering verkeersruimten; Maken V&G-r.i.e.

Tussentijdse korte richtinggevende adviezen en met alternatieve oplossingen en zondig benoemen van breekpunten (mondeling, e-mail e.d.)

Eindrapportage met daarin

Resultaten inventariserend onderzoek.

Richtinggevende adviezen voor VO-fase op basis van inventariserend onderzoek.

Opsomming risico’s en kansen bij de verdere planontwikkeling.

Zondig duidelijk benoemen van breekpunten bij de verdere planontwikkeling.

Concrete voorstellen hoe met het gebouw kan worden ingespeeld op de risico voor bv beschaduwing, windhinder e.d.

Eerste afwegingen en concrete voorstellen voor vraagbeperking koude en warmte alsmede ventilatieprincipe i.v.m. lokale luchtkwaliteit, compactheid gebouw

Afweging t.a.v. actieve en passieve zonne-energie

Risico’s bijzondere ruimten inzake hoogte, bezetting e.d.

Benomen risico’s geluidsgeluidsoverlast tussen verschillende gebouwfuncties

Benoemen risico’s en voorstellen oplossingen en alternatieven ten aanzien van:

Belemmeringen m.b.t. aanrijroute brandweer

Belendingen

Horizontale of verticale brandoverslag

Opvang en doorstroomcapaciteit

VO-FASE

Uitwerken stedenbouwkundige inpassing; Situatieschets (1:500) Ontwerpen functionele en ruimtelijke indeling; Plattegronden (1:200/1:100); Doorsneden (1:200/1:100); Ruimtestaat

Ontwerpen architectonische verschijningsvorm; Geveltekeningen (1:200/1:100) ; Maken V&G-RIE.

Tussentijdse korte richtinggevende adviezen en met alternatieve oplossingen en benoemen van kansen en bedreigingen (mondeling, e-mail e.d.);

Eindrapportage met daarin:

Gekozen oplossingen; Overzicht eisen en wensen waar (mogelijk) niet aan wordt voldaan; Richtinggevende adviezen voor DO-fase op basis van inventariserend onderzoek; Opsomming risico’s en kansen bij de verdere planontwikkeling.

Concrete voorstellen om in te spelen op risico’s op oververhitting;

Concrete voorstellen voor integraal ontwerp inzake bouwkundige en installatietechnische aspecten.

Positionering ruimten binnen gebouw, gelet op externe belasting en gewenste interne isolatie;

Ruimteakoestiek.

Advisering inzake:

Compartimentering;

Vluchtwegen;

Brandoverslagrisico’s.

Tabel 2: Beschrijving van de taken van de bouwfysicus in het ontwerpproces.

versie
2.30

uitgave
juni 2018

gerelateerd